Marktdenken helpt christelijk onderwijs om zeep

Marktdenken helpt christelijk onderwijs om zeep

 

Door Dr. Kees Boele, Voorzitter College van Bestuur van de Christelijke Hogeschool Ede

 

Alom in de maatschappij zien we een klimaat van richtingloosheid. “Homo zappiens” lijdt aan mentaalmoeheid, misschien wel als gevolg van de intensieve menshouderij van de moderne markteconomie. Christien Brinkgreve beschrijft in Vroeg mondig, laat volwassen hoe het cultureel gebod tot zelfsturing leidt tot desoriëntatie bij jongeren; velen experimenteren met werk en relaties tot na hun dertigste.

Juist in dit klimaat is christelijk hoger onderwijs broodnodig: we hebben studenten niet alleen goed op te leiden voor de arbeidsmarkt, maar we moeten hen ook toerusten, vormen en dat kun je alleen maar doen vanuit een visie op de zin van het leven. Juist dat laatste is helemaal verdwenen uit de politiek-bestuurlijke agenda.

 

Hoe komt dat? Omdat de overheid op tal van publieke terreinen het marktmechanisme als  ordeningsprincipe invoert. En dan verdwijnt de zingeving vanzelf. Een eenvoudig voorbeeld om dit duidelijk te maken. U betaalt een relatief laag bedrag per jaar, waarvoor men onbeperkt mag lenen in de bibliotheek. Dit tarief is niet kostendekkend, want de overheid vindt het belangrijk dat er gelezen wordt, en betaalt daarom fors mee. Nu wil zij echter de bibliotheek ‘vraaggestuurd’, “marktconform” organiseren. Degene die vaak leent, betaalt meer dan degene die minder nodig heeft (profijtbeginsel): eerlijk is eerlijk. De bibliothecaris wordt “afgerekend” en stemt de collectie af op de smaak van het grote publiek, omdat dit geld in het laatje brengt voor de aandeelhouders. Met andere woorden: waardevolle literaire, culturele boeken, die minder frequent over de toonbank gaan, kosten geld en verdwijnen uit de collectie. Kortom, het marktmechanisme zorgt voor uitholling van culturele, morele kwaliteit.Opportunistische, financiële normen van ondernemers komen in de plaats van ethische en maatschappelijke beginselen, die vroeger voor sociale samenhang zorgden. Instituties, zoals hogescholen en universiteiten, worden organisaties.

 

In het onderwijs zien we het voor onze ogen gebeuren. De vocabulaire verandert zienderogen in het hoger onderwijs. Dominante begrippen zijn momenteel: rendement, marktaandeel, prestatie-indicatoren, doorstroom, doelmatigheidstoetsing, lump-sum-bekostiging, locale autonomie, governance, accountantscontrole, productiviteit, audits, productiviteit. Deze taal representeert inmiddels ook een werkelijkheid. Outputbekostiging sinds begin jaren negentig leidde tot nadruk op rendement en “studeerbaarheid”, met als gevolg steeds minder docenten per student. Menig bestuurder ziet het onderwijs meer als markt dan als roeping. Liberale bewindslieden als Hermans en Rutte benadrukken de autonomie van hogescholen en universiteiten. Maar zonder regulering ontstaat monopolie en machtsmisbruik van zeer grote instellingen, waarbij kleine of zorg- en welzijn-opleidingen ten onder gaan in de concurrentieslag tussen ondernemende hogescholen. Rutte klaagt over het feit dat slechts 30% van de afgestudeerden een eigen bedrijf start. Echter, maatschappelijk werkers bijvoorbeeld moeten helemaal geen bedrijf oprichten, maar al die ondernemers opvangen die sociaal-emotioneel het spoor bijster geraakt zijn en hen coachen en begeleiden bij de opvoeding van hun kinderen. De CHE kan geen nieuwe opleidingen starten omdat identiteit en kwaliteit geen criteria zijn in de “doelmatigheidstoetsing” van OCW. En volgens het Liberaal Manifest van de VVD is het onderwijs zelf een neutrale zaak, een seculier goed dat gebaseerd is op een objectieve waarneming van zaken. Maar seculier en neutraal zijn twee heel verschillende dingen. Neutraal onderwijs is intellectuele, onderwijskundige en filosofische waanzin. Elk onderwijs heeft een mensbeeld, een idee over wat het leven is of zou moeten zijn.

 

Zo holt het marktdenken het onderwijs uit. Politiek-bestuurlijk Nederland is helemaal vergeten dat de economische wetenschap, die het marktdenken heeft voortgebracht, tot 1800 onderdeel was van de moraalfilosofie. En Socrates wist al dat het bij onderwijs niet primair gaat om het ‘arbeidsperspectief’, maar dat wij jonge mensen in staat moeten stellen om het ware doel van hun leven te bereiken: wie ben je, waartoe leef je? Goede voorbeelden zijn daarbij essentieel, in kleinschalige verbanden waarin studenten zich kunnen identificeren met een gemeenschap. Onderwijzen is ook wijzen, en dat is meer dan vraaggestuurd faciliteren. Waar de civil society uiteenvalt (zie bijvoorbeeld R. Putnam, Bowling Alone), waar de religie privatiseert en individualiseert, wordt juist de hogeschool een belangrijke gemeenschapsvormende institutie. Zij dient “community leaders” op te leiden (J. Kennedy). Dat zijn jonge mensen, die vrijwilligers ondersteunen in kerk en samenleving, die bijdragen aan gemeenschapsvorming, die geschoold zijn in de doordenking van ethische vraagstukken, getraind zijn in het voeren of begeleiden van interreligieuze gesprekken.