'Politiek hoort saai te zijn'

“Politiek hoort saai te zijn”

 

Interview met Stefan Paas

 

Door Rob Nijhoff en Geert Jan Spijker

 

Stefan Paas is bekend vanwege zijn activiteiten en publicaties op het terrein van missionair werk. Momenteel is hij echter – in opdracht van het WI en de TU Kampen (Broederweg) - ook bezig met het schrijven van een boek over staat en samenleving. Vanuit een theologisch perspectief probeert hij te duiden hoe het er met Nederland voorstaat en welke rol de christelijke politiek en de kerk in onze samenleving kunnen vervullen. Een gesprek over de ziel van Nederland en over een bijbelse visie op overheid en politiek – de politiek die de laatste tijd “veel te spannend” is.

 

Wat is je drive in het leven en met name in je werk?  

Mijn motivatie is eigenlijk de vreugde van het leven zelf. Daarbinnen heeft ook mijn werk een plaats. Het is te vergelijken met waarom je je kinderen opvoedt. Dat doe je gewoon. Ik wil niet leven alsof alles wat ik doe een groter plan moet dienen. Ik probeer niet steeds de vraag stellen naar het nut, maar tracht de dingen die ik doe ook te beschouwen als beloning in zichzelf. Tegelijk beschouw ik mijn baan wel degelijk als een roeping. Ik merk ook dat een constante in mijn leven het uitleggen van het evangelie is, het liefst aan niet-gelovigen.  

 

Is er een verband tussen het boek dat je schrijft en je werk als evangelist?

Jazeker, zowel als schrijver van het boek als in mijn activiteiten als evangelist ben ik op zoek naar hoe onze Nederlandse samenleving in elkaar zit. Wat zijn de schakelpunten in onze cultuur? Wat stempelt dit land? Wat vinden Nederlanders belangrijk? Met evangelisatie probeer je mensen in de samenleving te bereiken die niets of weinig met God en de kerk hebben. Om ze te bereiken moet je enigszins snappen hoe die mens en zijn samenleving in elkaar steken. In mijn boek probeer ik dat ook te onderzoeken. Eerder schreef ik ‘Jezus als Heer van een plat land’ waarin dit ook aan de orde kwam: in welk land leven we eigenlijk en hoe kunnen we de mensen die er leven bereiken?   

 

Hoe karakteriseer jij onze huidige samenleving?

Nederland is altijd een land van minderheden geweest. Dat is het nu ook. Daarnaast is er een enorme hang naar consensus in ons land. Die is er al sinds de zeventiende eeuw, zoals onder meer aangetoond door de historicus Jonathan Israel in zijn boek ‘The Dutch Republic’. Nederlanders zijn goed in het dempen van conflicten, al werkt dat nogal eens verstikkend voor het publieke debat. Tegelijk is er ook een groot streven naar persoonlijke vrijheid. Dat streven is zo groot dat we zelfs kunnen spreken van individuele anarchie. Maar die anarchie is juist mogelijk dankzij een strakke publieke ordening, die typisch Nederlandse regeldrift. De Nederlandse bureaucratie zorgt ervoor dat het niet uit de hand loopt met het individuele vrijheidsstreven.  

 

Maar niet iedereen lijkt die individuele vrijheid goed vorm en inhoud te kunnen geven…

Wat we nu zien is dat er problemen optreden bij mensen die die grote mate van individuele vrijheid niet gewend zijn en daardoor ook niet kunnen hanteren. Kijk naar de zogenaamde ‘nieuwe Nederlanders’, zoals Marokkaanse jongens. Zij beoordelen Nederlandse meisjes al gauw als losgeslagen en losbandig. Ze beseffen niet dat er naast hun vrijheidsbesef ook een grote mate van discipline en regulering is die mee hun gedrag stempelt. Van die combinatie van vrijheid en persoonlijke verantwoordelijkheid zijn Nieuwe Nederlanders zich niet altijd bewust. Zij missen door hun socialisatie elementen van de Nederlandse identiteit, zoals de behoefte aan discipline.

De specifieke aard en geschiedenis van Nederland spelen hier een belangrijke rol. Neem de cartoonrellen: er mogen wel grappen gemaakt worden over moslims, maar niet over joden. Hoe komt dat? Dat heeft te maken met een stuk geschiedenis, het specifieke verleden van Nederland. Je moet dat aanvoelen. Het is niet altijd uit te leggen op een rationele manier. Zoiets moet groeien.

 

Ook ‘oude Nederlanders’ lijken niet zo goed meer met hun vrijheid te kunnen omgaan. Is dat reden tot pessimisme?  

Dat is inderdaad aan het veranderen en dat maakt de situatie verwarrend. Maar toch hebben degenen die hier al langer wonen meer besef van persoonlijke verantwoordelijkheid en discipline. Uiteraard zie je ook onder ‘oude Nederlanders’ dat niet altijd goed met de vrijheid wordt omgegaan. Tegelijk kan ik niet zeggen - en dat is ook weinig zinvol - dat het slecht gaat met onze samenleving. Er wordt bijvoorbeeld wel gezegd dat het egoïsme groeit, maar tegelijk blijft het aantal vrijwilligers op peil. Er zijn nog steeds veel behulpzame mensen in ons land. Wel is het zo dat mensen zich wel drukker maken dan vroeger. Ze hebben veel te verliezen, want ze bevinden zich in het ‘penthouse van de behoeftepiramide’ (Suzanne Piët). Ze hebben erg veel, zo niet alles, en kunnen daardoor alleen nog maar verliezen. Nederlanders zijn drukker en gejaagder geworden. De dorpse, gemoedelijke cultuur is daardoor verdwenen.

 

Heeft het ook te maken met een zekere ideologische stuurloosheid?

Het opmerkelijke is dat uit onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau structureel naar voren komt dat Nederlanders zelf erg vaste waarden hebben. Waar ze zich zorgen over maken is vooral de samenleving. Ze zitten niet in over zichzelf en de eigen waarden en normen, maar ze zijn somber over de moraal van anderen. Dit is mijns inziens te verklaren door de verminderde invloed van het christelijk geloof en vooral door een afnemend zondebesef. We hebben weer een robuuste zondeleer nodig. Als je weet dat ieder mens – jijzelf dus ook – zondig is, dan leer je geduld te hebben met de medemens. De christelijke religie leert je dat je zelf ook zwak en beperkt bent. Zo worden mensen aangezet niet hard en moralistisch te worden naar elkaar. Als zodanig is de christelijke zondeleer bij uitstek de motor van tolerantie in de samenleving geweest. Overigens moeten we beseffen dat in Nederland de christelijke godsdienst regelmatig wettische vormen heeft aangenomen.

 

Eigenlijk is het dus voor liberalen – die zich vaak juist laten voorstaan op hun tolerantie - erg lastig om tolerant te zijn. Of niet?  

Wat we zien tegenwoordig is grofweg een driedeling in de samenleving. Er is een groep bedreigde burgers, zeg maar de Fortuyn-stemmers (30%), daarnaast een groep bezorgde burgers (40%) en tenslotte een zogenaamde ‘liberale voorhoede’. Deze laatste groep is voornamelijk blank, stedelijk en seculier. Ze heeft erg veel invloed en is zeer zelfredzaam. Ze staat behoorlijk op zichzelf, is zelfs wat geïsoleerd. Dit komt doordat de leden van deze groep weinig inlevingsvermogen hebben naar de minderbedeelden in de samenleving. Andersoortige mensen komen ze namelijk niet tegen. Ze ontmoeten alleen de mensen die ze zelf opzoeken en dat zijn welgestelde, hoogopgeleide en seculiere blanken.

Eigenlijk is het daarom eenvoudiger om in een dorp een goede multiculturele houding te ontwikkelen dan in een stad. Met name in kleine dorpen heeft men vaak meer besef van de multiculturele samenleving dan in de grote stad. In dorpen leren mensen immers vanzelf om te gaan met conflicten met andersoortige mensen. Je kunt niet heen om de dorpsgek of ‘tante Mien’. Je moet ermee leren omgaan, want je komt hen telkens weer tegen. In de stad kun je dergelijke types vermijden. Je zoekt slechts je eigen ‘soort’ mensen op. De liberale voorhoede heeft hierdoor weinig gevoel voor de multiculturele samenleving. Overigens wil dit niet zeggen dat deze liberalen geen hart zouden hebben voor Nederland. Ze zijn vaak zeer begaan met de samenleving.    

 

Wat is het startpunt in de zoektocht naar goed samenleven?

Wat nodig is voor een goede samenleving is het zoeken van aardse vrede. We moeten proberen een liefde te ontwikkelen voor dezelfde dingen, om het met Augustinus te zeggen. We moeten proberen overeenstemming te bereiken in objecten van liefde. Aardse vrede impliceert een zekere uiterlijke gerechtigheid voor de samenleving die we nastreven. Hierbij moeten we niet te hooggespannen verwachtingen koesteren. We moeten de gerechtigheid niet te hooggestemd inkleuren en zeker niet utopisch gaan denken over een hemel op aarde. Het streven naar utopieën is typisch iets van de moderne tijd.  

 

Het denken in termen van wij vs zij zal die vrede geen goed te doen.

Bij het leven in vrede past geen polarisatie. We moeten niet elkaar beledigen of in hokjes stoppen. Het wij-zij-denken is buitengewoon onvruchtbaar. Onlangs trof mij een uitspraak van Ayaan Hirsi Ali richting André Rouvoet. Ze zei: “Jouw geloof hoeven we niet meer te bestrijden.” Daarmee bedoelde ze te zeggen dat ‘jullie niet meer gevaarlijk zijn’. Blijkbaar gaat mevrouw Hirsi Ali ervan uit dat er drie groepen zijn in Nederland: wij, zij (de moslims) en de al overwonnen vijand (de christenen). Maar wie is ‘wij’ eigenlijk? Zijn dat ‘de echte Nederlanders’, waaronder Hirsi Ali zelf? Wie bepaalt dat?

Deze ramkoers lijkt me niet zinvol. Je haalt er wel de kranten mee, maar we schieten er niets mee op. De vrede in de samenleving is er niet mee gediend. Het maakt de politiek wellicht spannend, maar dat is nu juist niet de bedoeling. Politiek hoort saai te zijn. Geef mij maar iemand als Donner. Het gaat in de politiek primair om bestuurlijke kwaliteit. Burgers willen in eerste instantie een stil en rustig leven. Politiek is veel te spannend de laatste tijd. Tegenstellingen moeten niet worden uitvergroot. Men moet bijvoorbeeld niet bepaalde bevolkingsgroepen een gevaar gaan noemen.

 

Waar haal je je visie op politiek en samenleving vandaan?

Mijn visie stamt uit een klassieke traditie waarin politiek uiteindelijk een autoriteit vertegenwoordigt en de samenleving geen belangenvereniging is. Politiek behoort niet om belangenbehartiging te gaan, maar moet het algemeen belang dienen. Dit heeft te maken met de notie van gezag. Overheidsgezag is uiteindelijk afkomstig van God. Het komt niet uit zichzelf voort. In de christelijke traditie is altijd sterk benadrukt dat macht is gegeven. Het komt van God en daarom is de macht, de overheid aan God verantwoording schuldig. Enerzijds is dit de basis voor het respecteren en waarderen van de overheid, anderzijds geeft het ook ruimte om een kritische houding ten opzichte van die overheid aan te nemen. Deze visie op gezag impliceert dus geen slaafse gehoorzaamheid. Het maakt het gezag juist transparanter. 

De christelijke visie onderscheidt duidelijk samenleving en staat. Het zijn domeinen die niet tot elkaar mogen worden herleid. Dit is erg belangrijk. Momenteel zijn er veel problemen rondom de notie van innerlijk gezag. Er is geen geloof meer dat de politiek iets vertegenwoordigt van de andere kant. Gezag is heel diffuus geworden. Seculiere visies - zoals de liberale -  herleiden de staat vaak tot de samenleving, of andersom. Het gevaar ontstaat dan dat de politiek de samenleving wil scheppen of dat de politiek juist opgaat in de samenleving. In tegenstelling tot dergelijke visies is het in een bijbelse visie mogelijk de macht tegelijk te bekritiseren én te erkennen als gezag. Dat is de winst van de christelijke traditie.

 

Hoe gebruik je de bijbel om je visie te onderbouwen?

Allereerst leer ik hier van het Oude Testament, met name van de profetische traditie. Het wetslichaam houdt de samenleving (het volk) bijeen. Alle domeinen in de samenleving staan onder dezelfde wet. Dit geeft eenheid en samenhang. Je ziet het bijvoorbeeld bij Ruth: iedere vreemdeling die God wil dienen is welkom. Tegelijk: iedereen die God niet dient, is niet welkom. Een mooi voorbeeld biedt het verhaal van Achab en Naboth: de vorst heeft gezag, maar het volk en de profeten hebben toegang tot hetzelfde recht. Dit is bij uitstek een christelijk inzicht, wat je ook terugziet in het beginsel van soevereiniteit in eigen kring: alle domeinen in de samenleving, zoals gezin, bedrijf en kerk, hebben een eigen verantwoordelijkheid en staan direct onder de wet, onder God. Het volk in het Oude Testament is dus een wetslichaam. Het vormt een juridische eenheid, niet een raciale of iets dergelijks. Dit is eigenlijk de bodem van onze constitutionele traditie.

 

Je begint dus niet met Romeinen 13?

Uit het Nieuwe Testament kunnen we uiteraard leren van Romeinen 13. De overheid is inderdaad een instelling van God, maar ze heeft niet het eeuwige leven. We moeten beginnen bij Jezus en die preekt de komst van het koninkrijk van God. Die komst betekent het einde van de aardse machten. We moeten de overheid dus waarderen en loyaal zijn aan deze instelling Gods. Tegelijk moeten we ons er kritisch toe verhouden. Het blijft oppassen voor de machtsdrift en controledrift waar overheden altijd vatbaar voor zijn. De overheden zijn niet voor de eeuwigheid bestemd. Het Nieuwe Testament versterkt en onderstreept zo die kritisch-loyale houding die we al naar voren zagen komen.  

 

Betekent dit een waarschuwing voor christelijke politieke partijen?

Een christelijke politieke partij kan zeker nodig zijn. Maar we moeten wel sterk oppassen voor de gevaren die in het politieke domein aanwezig zijn. Het gevaar van machtswellust ligt voor een ieder op de loer. Augustinus sprak al over de ‘libido dominandi’. Die is dichterbij dan je zou willen. We moeten ervoor waken dat politiek geen doel op zich wordt. Augustinus spreekt dan ook helemaal niet verheven over het ‘hoge ambt van de overheid’ of iets dergelijks. Hij zag meer de gevaren van de overheid dan de zegeningen.

 

Christenen denken soms erg verschillend over de waarde van de overheid. Is dat jammer?

We moeten elkaar als christenen de ruimte gunnen om hier verschillend over te denken. Om verschillend de waarde van de overheid te taxeren. Grofweg kunnen we twee visies onderscheiden: de doperse en de protestantse. Voor beide is wat te zeggen. De doperse benadrukt dat God Zijn geschiedenis primair schrijft met Zijn nieuwe volk. Protestanten leggen meer nadruk op de uitoefening van politieke invloed in deze samenleving. Mijn positie zit er ergens tussenin. Ik denk dat we oog voor beide moeten hebben. Er is een bandbreedte van posities tussen christenen die we moeten respecteren. De ene groep legt meer nadruk op het zout, de ander meer op de antithese. Probeer die verschillende tradities met betrekking tot hoe christenen in de wereld behoren te staan te respecteren.

 

Maar moeten we ons als christenen organiseren in politiek opzicht?

Ja, dat is belangrijk. Wel moeten we dat pragmatisch benaderen. Hoe je politieke invloed vormgeeft, is per tijd verschillend. Politieke partijen zijn een typisch modern verschijnsel. Pas in de recente geschiedenis heeft het verenigingsleven zich zo ontwikkelt dat ook politieke partijen ontstonden. Als je nu maatschappelijke invloed wilt hebben als christenen, zul je ook van politieke middelen gebruik moeten maken. Politieke partijvorming is dus ook voor christenen van belang.

 

Hoe is het gesprek tussen de verschillende politieke stromingen mogelijk? Soms lijkt er grote verwijdering te bestaan. Of is er voldoende overeenstemming? 

In aansluiting op Augustinus betoog ik in mijn boek dat een volk wordt gevormd door een gedeelde liefde. Een gemeenschap (communio) bestaat op basis van een voortdurend gesprek (communicatio) over een aantal gedeelde objecten van liefde. Het gaat hierbij niet primair om het bereiken van een consensus, maar wel om een geboeidheid, een gedeelde interesse voor die waarden. In Nederland zijn de belangrijkste waarden vrijheid en gelijkheid. Om die termen kun je niet heen, ook al legt iedereen ze anders uit, liberaal, christelijk of hoe dan ook. Toch moet je de begrippen vrijheid en gelijkheid blijven gebruiken, ook al hebben ze vanuit verschillende ideologieën verschillende inhouden.

Daarbij komt dat het uitermate belangrijk is dat we blijven geloven in het bestaan van de waarheid. Het heersende relativisme erkent het bestaan van een absolute waarheid niet meer. Dan hoef je dus eigenlijk ook niet meer naar elkaar te luisteren. Het frappante is dat het recht op vrije meningsuiting ooit in de steigers is gezet omdat we samen op zoek gingen naar de waarheid. Momenteel lijkt de uitingsvrijheid echter meer een soort recht op kwetsen. Belediging als een soort viering van de vrije meningsuiting. Dit komt doordat we het besef verloren zijn dat we elkaar nodig hebben om de waarheid te vinden. Als er geen waarheid is, dan hebben we elkaar ook niet meer nodig om die te zoeken. We moeten echter juist wel in gesprek blijven. Er is immers een punt waar vragen ophouden, maar dat punt kunnen we alleen niet bereiken...