Ontspannen jezelf blijven

Ontspannen jezelf blijven.

Over de grondslag van de ChristenUnie

Ad L. Th. De Bruijne, universitair docent ethiek TU Kampen (Broederweg).

 

In dit artikel maak ik op verzoek van de redactie enkele opmerkingen over de grondslag van de ChristenUnie. Deze grondslag bindt de partijleden aan de klassieke belijdenisgeschriften uit de Reformatie. Is dat persé nodig? Zou het ook anders kunnen? Hebben we als politieke partij niet genoeg aan de bijbel alleen? Die vragen leven niet voor niets. In de ChristenUnie participeren ook evangelische christenen. Voor hen levert deze verwijzing naar de gereformeerde confessie op z’n minst spanningen op. En buiten de ChristenUnie sympathiseren nog meer niet-gereformeerde christenen (zelfs Rooms katholieken) met de partij. Zij willen of kunnen met de bestaande grondslag geen lid worden.

In dit artikel pleit ik ervoor de binding aan de confessie in de grondslag te laten staan. Maar mijn argumenten daarvoor dragen een ander karakter dan meestal het geval is.

 

Het betrekkelijke van een politieke partij

Wie op bovenstaande vragen antwoord geeft, moet zich realiseren dat daarbij allerlei onderliggende overtuigingen een rol spelen. Vaak blijven zij onder de oppervlakte, maar ze bepalen het kader waarbinnen iemands visie zich vormt. Dat is ook bij mij het geval. En ik realiseer mij dan ook dat het antwoord dat ik zal geven, samenhangt met enkele opvattingen die binnen de ChristenUnie geen gemeengoed zijn. Ik hoop ze in een ander verband uit te werken.[1]

Voor mij is een christelijke politieke partij een relatief instrument, met voordelen en nadelen. Ik neem dan ook afstand van de principiële manier waarop christelijke politieke partijvorming in onze traditie vaak is benaderd. Anders dan Kuyper en zijn nazaten beschouw ik een politieke partij niet als een gestalte van Gods koninkrijk. Het gaat niet om een stukje nieuwe samenleving waarmee christenen sanerend de oude samenleving binnendringen. En anders dan bij velen binnen het vroegere GPV zie ik een politieke partij ook niet als de verlengde arm van de kerk in haar roeping in de wereld. Ik vind het zelfs schadelijk dat gereformeerde christenen tussen de kerk en de wereld een heel netwerk van organisaties hebben opgebouwd met zulke pretenties.[2] Als gevolg daarvan hebben wij onbedoeld meegewerkt aan het typisch liberale streven om de kerk zelf onschadelijk te maken door haar in de privé-sfeer of hoogstens in een eigen kring binnen de werkelijkheid op te sluiten. Tegelijk ontstond daarmee een overschatting van het belang van christelijke politiek als één van de hoofdgestalten om binnen de publieke samenleving de zaak van Gods koninkrijk te dienen.

Volgens mij volgt uit de bijbel dat de kerk zelf een directe roeping in de samenleving en ten opzichte van de politiek heeft. Zij moet naar beide toe missionair, getuigend, uitnodigend en confronterend optreden. Zij heeft tegelijk de roeping diaconaal dienend te zijn in haar omgeving, ook in de samenleving en ook ten opzichte van de overheid (al was het alleen maar door haar voorbede). Christelijke organisaties mogen geen filters worden die het contact tussen kerk en wereld indirect maken.

 

Nuttig geschenk

Stel ik mij hiermee dan alsnog achter de doorbraakgedachte van na de Tweede Wereldoorlog?[3] Helemaal niet. Deze wees christelijke politieke partijvorming principieel af. Ik vind haar waardevol, mits wij daarvoor praktische argumenten aanvoeren en onhoudbare principiële verhalen prijsgeven. Maar zo zie ik een christelijke partij dan ook voluit als een geschenk van God dat van veel nut mag zijn.

Het vormen van politieke partijen is een typisch negentiende-eeuws verschijnsel. Voor die tijd werd de representatie binnen een democratie anders geregeld. En sommige analysen suggereren dat wij binnenkort misschien het einde meemaken van partijen in de klassieke vorm omdat zich een meer flexibele en incidentele vorm van representatie aandient.[4] In al die systemen kunnen christenen participeren. Je moet daarbij onderscheid maken tussen de missionaire en diaconale publieke (ook politieke) roeping van de kerk én het feit dat een christen ook gewoon deel moet uitmaken van de samenleving. Christenen zitten in bedrijven, participeren in de handel, verrichten wetenschappelijk onderzoek, doen mee in buurtgemeenschappen, geven les op scholen, etc. Zo nemen christenen ook deel aan de politieke deliberatie.

Op al die fronten moeten christenen hun roeping tot naastenliefde concretiseren door zo goed mogelijk bij te dragen aan het ‘gedeelde goed’ dat in zo’n stukje menselijk samenleven aan de orde is. Daarbij zal je bijdrage ook inhoudelijk gestuurd worden door je kennis van God en van Zijn werken en woorden. Soms wordt nadrukkelijk rekenschap gevraagd en dan moet je expliciet getuigen. Soms sta je voor nood bij iemand met wie je samenwerkt en dan moet je diaconaal optreden. Maar het doel van je participatie is niet het invullen van de opdracht van de kerk tot getuigen of tot dienstbetoon. Het doel is het concretiseren van de christelijke naastenliefde door mee verantwoordelijkheid te dragen en de goede orde rond dat stukje samenleving te helpen dienen. De directeur doet dat door zijn bedrijf goed te leiden en de politicus door de samenleving zo leefbaar, rechtvaardig en gezond mogelijk te houden.

Deze politieke verantwoordelijkheid kan ook worden ingevuld in een ander systeem dan dat van politieke partijen, zoals christenen uit verleden en heden laten zien. En zelfs als er wel politieke partijen bestaan, is het niet principieel verkeerd wanneer christenen participeren in niet-christelijke partijen. Misschien toon je daarmee geen goed inzicht in de actuele situatie. Maar dat is dan een toepassingszwakte en geen ontrouw aan een rechtstreeks bijbels gebod. Persoonlijk geloof ik dat God ons met een christelijke politieke partij een unieke kans geeft om onze christelijke verantwoordelijkheid in het Nederland van vandaag in te vullen.

 

Grondslagdiscussie principieel?

De overtuiging uit het voorgaande is van belang voor de manier waarop je nadenkt over de grondslag van de ChristenUnie. Als deze partij rechtstreeks verbonden zou zijn aan de kerk of een gestalte zou vormen van het koninkrijk van God, zou de bezinning over de grondslag een principieel karakter moeten dragen. Maar als het gaat om een tijdgebonden manier om je christelijke verantwoordelijkheid in te vullen, hoeft die bezinning niet zo geladen te zijn.

Daar komt bij dat het denken in termen van ‘grondslag’ of ‘basis’ ook op zichzelf niet persé bijbels noodzakelijk is. In de afgelopen jaren heeft bezinning plaatsgevonden op de manier waarop christelijke organisaties hun identiteit uitdrukken en bewaren.[5] Daaruit blijkt dat er naast een ‘grondslagmodel’ ook andere vormen bestaan. Bovendien heeft het opereren met een ‘grondslag’ of ‘basis’ vaak te maken met wat ‘funderingsdenken’ genoemd wordt. Dan sluipt daarin gemakkelijk een mechanisme waarin je zelf je gezamenlijke identiteit wilt beheersen en beveiligen. Maar ook met een doortimmerde grondslag kan er inhoudelijk veel mis gaan. Doorslaggevend voor christelijke identiteit bij het opereren in de samenleving is Gods voortgaande leiding. Daarbij kan Hij onze ‘grondslag’ gebruiken, maar Hij leidt ook met andere middelen.

Om deze redenen zie ik de discussie over de grondslag van de ChristenUnie als een vooral praktische kwestie. In de kerk of in direct kerkelijk werk binnen de samenleving sta ik voor de gereformeerde belijdenis. Maar bij een politieke partij werkt het voor mij indirecter, zoals ook in andere samenlevingsverbanden. Mijn visie ontstaat dan ook niet door een relativerende visie op de belijdenis, maar door een andere kijk op politiek. Op zulke praktische gronden concludeer ik echter wel dat de verwijzing naar de gereformeerde confessie in de basis van de ChristenUnie moet blijven staan.

 

De bijbel alleen?

In de eerste plaats vind ik het alternatief dat vaak gesuggereerd wordt naïef en onhoudbaar. Volgens sommigen is de bijbel alleen wel genoeg. ‘De bijbel alleen’ is echter zelf al een belijdenis. En dit ‘sola scriptura’ vormt een kern in de gereformeerde confessie. De Reformatoren weerspraken daarmee de Roomse visie dat het leergezag van de kerk de bijbel moet aanvullen én de doperse stelling dat de Geest van God buiten de bijbel om doorgaat met openbaren. Daarmee wordt in de eerste plaats duidelijk dat de ChristenUnie met zo’n alternatieve grondslag nog steeds problemen zou moeten hebben met de toelating van sommige Rooms-katholieke en evangelische christenen.

In de tweede plaats laat het zien dat er rond zo’n gereduceerde basis onmiddellijk interpretatieproblemen rijzen. Kennelijk verstaan gereformeerden onder ‘de bijbel alleen’ iets anders dan sommige anderen. Als wij één ding van de moderne hermeneutische bezinning kunnen leren, is het wel dat wij de bijbel allemaal gebruiken binnen al bestaande kaders. Ook gemeenten die geen schriftelijke confessie kennen, hanteren de bijbel in verbinding met een aantal vaststaande overtuigingen en praktijken. De vraag is niet of er rond de bijbel zo’n bedding bestaat, maar in welke bedding je staat. Die bedding bepaalt voor een groot deel je identiteit.

Op basis van ‘de bijbel alleen’ blijken christenen het over tal van zaken oneens te blijven. Tot die zaken hoort ook de visie op politiek en op de invulling van christelijke politieke verantwoordelijkheid. Er zijn veel christenen die ik hartelijk herken in de gemeenschap met Christus en met wie ik ‘de bijbel alleen’ als belijdenis deel. Maar sommigen van hen menen dat je als christen buiten de politiek moet blijven. Anderen zien politiek als manier om de christelijke belangen veilig te stellen. Weer anderen benaderen politiek als een instrument om te getuigen of om hulpverlening te organiseren. Met hen zou ik in politiek verband niet graag optrekken. En als zij als gevolg van een opener grondslag binnen de ChristenUnie de overhand zouden krijgen, zou ik die partij verlaten. De ChristenUnie kan niet zonder een verdere invulling van ‘de bijbel alleen’. Zij moet duidelijk maken hoe zij zich aan de bijbel bindt en hoe zij deze toepast op de politieke werkelijkheid.

 

Identiteit is niet maakbaar

Voor die nadere invulling van de binding aan de bijbel bestaan meerdere mogelijkheden, die een politieke partij ontspannen mag overwegen. Het opnemen van de belijdenis van de kerken uit de Reformatie in een grondslag vormt slechts één daarvan. Tegelijk vorm je geen identiteit achter je bureau. Zij is niet maakbaar. Identiteit is een historische categorie. Zij is in beweging en kan veranderen. Maar als dat de vorm aanneemt van een abrupte breuk met de bestaande en gegroeide identiteit, is er sprake van revolutie. Het gevolg daarvan is het verlies van de bestaande samenbinding. Veel orthodoxe christenen zijn op dit punt erg modernistisch. Zij zien een probleem en stampen een theoretische oplossing uit de grond. Zo zou ik ook een radicale wijziging van de bestaande grondslag van de ChristenUnie interpreteren. In theorie is misschien een kloppend geheel te formuleren, maar voor de praktijk kan het funest zijn. Wij moeten ons realiseren dat dit soort grondslagdiscussies al tientallen jaren gevoerd zijn. Nog in 1998 stonden binnen het toenmalige GPV twee stromingen tegenover elkaar. Met name bijdragen van Kars Veling hebben veel betekend om mensen toch mee te krijgen in de nieuwe ChristenUnie. Want hij verbond een blijvend confessioneel kader met een meer ontspannen omgang met bepaalde verschilpunten onder christenen.[6] Zouden wij nu alsnog breken met dat confessionele kader, dan blazen we de sindsdien gegroeide samenbinding van binnenuit op.

 

Invoegen in de bestaande identiteit

Dat betekent niet dat er volgens mij binnen de ChristenUnie geen ruimte bestaat voor bepaalde evangelische of Rooms-katholieke christenen. Het gaat immers niet om instemming met de grondslag van de kerk maar om het invoegen in een door de gereformeerde confessie bepaalde politieke identiteit. Zulke potentiële leden moeten dan echter wel meer herkennen dan enkele politieke items waarmee zij het eens zijn. Zij moeten meer met de partij willen dan een platform delen om conservatieve normen en waarden in de Nederlandse samenleving te bevorderen. Er moet een herkenning zijn van de basisstructuren van het christelijke politieke denken en optreden zoals deze in de traditie van de ChristenUnie gegroeid zijn.

Nu zijn deze basisstructuren niet zomaar gegroeid. Er bestaat een lijn naar de gereformeerde confessie waarvan de partij altijd uitging. Dat betekent niet dat elk afzonderlijk leerstuk uit de belijdenis direct politiek relevant is. Er zijn in het verleden pogingen gedaan om dat te bewijzen.[7] Maar zonder dat ik dat hier kan uitwerken, vind ik deze vaak geforceerd. In het uiteindelijke politieke resultaat speelt meer mee dan de belijdenis. En vanuit die belijdenis zou je politiek gezien op concrete punten best anders kunnen uitkomen. Toch kun je de gegroeide politieke identiteit ook niet zomaar losmaken van de belijdenis. De invloed bestaat in een diepere laag. De gedeelde belijdenis heeft geleid tot een manier van omgaan met de bijbel en van het staan in de wereld die mensen ook politiek samenbindt. Wil je die politieke traditie echt voortzetten, dan moet je niet op een constructivistische manier breken met een van de belangrijkste realiteiten die haar vormde.

Ook van niet-gereformeerden mag daarom loyaliteit aan deze grondslag worden gevraagd. Dit roept voor henzelf spanning op. Maar die spanning is niet ondraaglijk. De ChristenUnie bleek immers geen kerk of stukje koninkrijk. Je hoeft je niet in je geweten aan elk onderdeel van de gereformeerde confessie gebonden te weten. Je stemt in met de politieke identiteit van de ChristenUnie en respecteert daarom ook deze factor uit haar grondslag, die deze identiteit vormde en nog steeds voedt.

 

Politiek toespitsen

Politieke identiteit mag in beweging zijn. Daarom zou ik het toejuichen als de ChristenUnie nog nadrukkelijker dan nu in haar grondslag een politieke toespitsing wist te geven van deze door de gereformeerde confessies gekleurde identiteit. Zo’n toespitsing zou een uitwerking zijn van de benadering van bijbel en christelijk leven die in de confessie meekomt, een soort ‘politieke belijdenis’. Zo’n toespitsing van de geloofsinhoud op een punt treffen wij ook aan in het derde belijdenisgeschrift uit de Reformatie, de Dordtse Leerregels. Wat daarin gebeurt rond de thematiek van vrije wil en goddelijke genade, zou vandaag wel eens nuttig kunnen zijn bij de urgente vragen van de christelijke roeping in een niet meer christelijke samenleving met een seculiere overheid. Het zou prachtig zijn als meerdere kerken en gemeenten samen tot zo’n verdiept en uitgewerkt inzicht konden komen. Daarbij zou de ChristenUnie kunnen aansluiten. Maar zolang dit er niet in zit, kan de ChristenUnie ook zelf stappen zetten op deze weg. Zij zou haar gegroeide identiteit daarmee niet ontkennen maar juist creatief voortzetten. Ik verwacht dat het met zo’n toespitsing gemakkelijker wordt om na te gaan of mensen van buiten echt bij de identiteit van de ChristenUnie passen. Het zou ook de onontkoombare spanning bij henzelf en in de partij, vanwege het feit dat de confessie niet zonder meer wordt onderschreven, draaglijker maken. Wat wel kan worden onderschreven, krijgt immers een duidelijker politiek profiel en wordt daarmee ook beter toetsbaar.

 



[1] Mijn visie is beïnvloed door de Anglicaanse ethicus Oliver O’Donovan, hoewel ik in de praktijk anders uitkom (The Desire of the Nations, Rediscovering the roots of political theology, Cambridge: Cambridge University Press, 1996; The Ways of Judgment, The Bampton Lectures, 2003, Grand Rapids, Cambridge, 2005: William B. Eerdmans Publishing Company).

[2] C.J. de Ruijter sprak al jaren geleden kritisch van een ‘erf’ rond de kerk.

[3] Zie bijvoorbeeld: Martien E. Brinkman, De theologie van Karl Barth: dynamiet of dynamo voor christelijk handelen, De politieke en theologische controverse tussen nederlandse Barthianen en Neocalvinisten. Baarn: Ten Have, 1983.

[4] Bernard Manin, The Principles of Representative Government, Cambridge: Cambridge University Press, 1997.

 

[5] Govert Buijs e.a., Wat je zegt, ben je zelf. Identiteit en christelijke organisaties, Zoetermeer: Boekencentrum/ Barneveld: De Vuurbaak, 2003, 9 e.v. (Buijs). 46 e.v. (Groen). 57 e.v. (Hoogland). 71 e.v. (Tromp).

[6] K. Veling, L. Bezemer, De toekomst van christelijke politieke samenwerking, twee visies, Amersfoort: Groen van Prinstererstichting, 1998.

[7] L. Bezemer e.a., Krachtige belijning, Over de betekenis van de belijdenis in de politieke praktijk, Bijlage bij Ons Burgerschap (dec 1995), Amersfoort: GPV, 1995; B.P. Hagens, Confessie of champagne, Over confessionele politiek, Bedum: Woord en wereld, 1994; A. Noordergraaf, Meer dan een formule, De betekenis van de gereformeerde grondslag voor christelijke organisaties, Kampen: Kok, 1983.