De WMO-kogel is door de kerk

De WMO-kogel is door de kerk.

 

Door Dick Stellingwerf

 

De kogel is door de kerk: de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) is op 14 februari door de Tweede Kamer aangenomen. Uiteindelijk stemde alleen de SP tegen de nieuwe wet. Dat is opvallend omdat het er lange tijd zag naar uitzag dat een meerderheid van de Tweede Kamer de wet zou verwerpen. Dat de Tweede Kamer uiteindelijk toch massaal steun aan de WMO gaf, heeft alles te maken met het feit dat zij het wetsontwerp op een groot aantal punten heeft geamendeerd. In dit artikel blikken we terug op de inhoud van het oorspronkelijke wetsvoorstel, op het wetgevingsproces en op de uitkomsten daarvan. Tenslotte bezien we op welke punten gemeentebesturen de vinger aan de pols kunnen houden.

 

Inleiding

Mensen zijn geen eilandjes. Zij staan niet op zichzelf. Zij functioneren pas goed sámen met anderen. Dat begint in het gezin, de hoeksteen van de samenleving. Pas in het samen leven en samen werken komen mensen echt tot hun recht. Dat besef is binnen de Nederlandse samenleving gedurende de afgelopen veertig jaar op de achtergrond geraakt. Het is de hoogste tijd om de eenzijdige gerichtheid op het individu in te ruilen voor een visie waarin relaties tussen mensen en tussen bevolkingsgroepen weer centraal komen te staan. De ChristenUnie doet dat vanuit het christelijk geloof, dat ons leert om God lief te hebben boven alles en onze naaste als onszelf. Een samenhangende samenleving wordt gedragen door relaties. Tussen mensen in gezin of buurt, tussen jong en oud, maar ook tussen werkgevers en werknemers, tussen politici en burgers en tussen zorgverleners en zorgvragers.

In veel gemeenten zijn veel burgers actief in verenigingen, wijken en kerken. Dat is belangrijk en moet worden versterkt. Juist door samen actief te zijn en verantwoordelijkheid te nemen vormen we een samenleving. Alleen zo kunnen we aan een echt leefbare gemeente werken. Bij de burgers en de verbanden waarin die leven liggen eerste verantwoordelijkheden. Maar ook de gemeentelijke overheid moet verantwoordelijkheid nemen en de noodzakelijke randvoorwaarden bieden. In ieder geval moeten zowel burgers als overheid zich dienstbaar opstellen.

 

Deze in veel verkiezingsprogramma’s neergelegde ChristenUnie-visie sluit goed aan op het denken achter de WMO. De WMO zal het toekomstige kader gaan vormen voor de maatschappelijke ondersteuning van mensen die zorg nodig hebben. Op dit moment worden verschillende vormen van maatschappelijke ondersteuning nog gebaseerd op verschillende wettelijke regelingen. Met de inwerkingtreding van de WMO zullen de Welzijnswet, de Wet Voorzieningen Gehandicapten (WVG), een deel van de AWBZ en een aantal specifieke subsidieregelingen komen te vervallen. De gemeente krijgt bij de uitvoering van de WMO een regisserende rol op het terrein van zorg, wonen en welzijn. Met deze nieuwe kaderwet hoopt ‘de politiek’ de samenhang tussen allerlei vormen van ondersteuning te vergroten en de uitvoering goedkoper te maken.  

 

Wat Motiveert Ons

De ChristenUnie beschouwt de zorg voor de gezondheid en het welzijn primair als een verantwoordelijkheid van de mensen zelf en van de verbanden waarin zij leven. De christelijke naastenliefde speelt in die visie op zorg een cruciale rol. Binnen de zorg dient de (christelijke) identiteit van de instellingen die op deze gebieden actief zijn te worden gewaarborgd. Het beleid moet erop zijn gericht dat ouderen en mensen met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig en in de eigen woonomgeving (kunnen) blijven functioneren. De samenleving heeft ten opzichte van deze kwetsbaarste groepen morele verplichtingen. Voor veel mensen is de binnen de WMO bepleite ‘zelfredzaamheid’ immers niet haalbaar.

De zorg moet ook betaalbaar zijn. Vanuit het principe dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dienen te dragen is een eigen bijdrage verdedigbaar. Daarbij moet dan wel de dráágkracht van een huishouden tot uitgangspunt worden genomen. Of prioriteit moet worden gegeven aan individuele of collectieve voorzieningen moet worden bepaald op basis van de gestelde (individuele) indicaties. Immers, als het goed is komt in de gestelde indicatie de noodzakelijke individuele zorg tot uiting. Voor de ChristenUnie geldt bij dit alles dat we beseffen dat geen enkele samenleving optimaal functioneert. We leven immers in een gebroken wereld. Toch moeten onze inspanningen erop zijn gericht negatieve ontwikkelingen waar mogelijk te keren. De Bijbelse visie biedt daarvoor een betrouwbare basis. Daarbinnen is de overheid een schild voor het zwakke en kwetsbare en dragen mensen zorg voor hun naaste.

 

Maatschappelijke analyse

In de WMO worden enkele belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen gesignaleerd. Doordat gezinnen steeds kleiner zijn geworden en de gezondheidszorg steeds beter, is er sprake van een zogeheten ‘dubbele vergrijzing’ van de samenleving. Er komen steeds meer ouderen en die ouderen worden ook steeds ouder. Hierdoor zal de zorgvraag de komende jaren toenemen. Dit betekent tegelijkertijd dat de zorgkosten fors zullen groeien. Om deze zorgvraag en deze stijging van zorgkosten beheersbaar te houden, wordt daarom in de WMO meer nadruk gelegd op het dragen van eigen verantwoordelijkheid door mensen. Concreet betekent dit dat zorgvragen weer meer bij de ‘directe omgeving’ komen te liggen.

Daarnaast wordt binnen de WMO ook aandacht besteed aan de ontwikkeling dat het sociale netwerk van veel mensen kleiner is geworden. Samenlevingsverbanden die vroeger nog vitaal waren, zoals familie, buurt en kerk, zijn door de toenemende individualisering en ontkerkelijking verbrokkeld. Daardoor leveren die maatschappelijke verbanden ook een steeds kleinere bijdrage aan de samenhang en samenwerking binnen de samenleving. Aan deze ontwikkelingen liggen overigens politieke keuzes ten grondslag. Zo heeft de rijksoverheid het op individualisering gerichte beleid de afgelopen decennia krachtig gestimuleerd.

Vanwege deze ontwikkelingen moet er, aldus de regering, een nieuwe balans in verantwoordelijkheden worden gevonden. Tussen burgers en overheid, maar ook tussen burgers onderling. Daarbij moet het nog aanwezige ‘sociale kapitaal’ gekoesterd en versterkt worden. Met het ‘sociale kapitaal’ wordt gedoeld op de onmisbaarheid van mantelzorgers en vrijwilligers in de samenleving. Zonder hen kunnen de problemen waarmee de samenleving kampt niet worden opgelost of beheersbaar gehouden. Daarom streeft men, in het kader van de WMO, een sociale structuur na waar zelforganisatie, maatschappelijke binding en eigen verantwoordelijkheid weer een belangrijke plaats innemen. Een dergelijke basisstructuur vervult een belangrijke preventieve functie en deze gaat daarom ook vóór professionele arrangementen van zorg, cultuur, welzijn en ontspanning.

Op basis van deze analyse is de regering tot de conclusie gekomen dat samenhangend beleid nodig is op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, wonen, welzijn en aangrenzende terreinen. Tegelijkertijd hoopt men dat in de samenleving een omslag in denken tot stand gebracht kan worden. Omdat de gemeentelijke overheid het dichtst bij de burger staat worden de gemeenten het best in staat geacht de doelstellingen op dit terrein te realiseren

 

Uiteenlopende wegen

Bezien vanuit de visie van de ChristenUnie kan ik me goed vinden in de maatschappelijke analyse van de regering. Wel zet ik vraagtekens bij (1) de consequenties die de regering uit haar eigen maatschappelijke analyse trekt, (2) de zorginhoudelijke conclusies en (3) een aantal van de concrete bestuurlijke keuzes van de regering.

 

De regering stelt dat zij meer verantwoordelijkheden wil leggen bij sociale verbanden als familie, buurt en geloofsgemeenschap.Die keuze lijkt echter vooral te zijn ingegeven door de mogelijkheid om op de zorgkosten te besparen. Op het brede terrein van de sociaal-economische verhoudingen is het namelijk al veertig jaar ‘individualisering’ wat de klok slaat. Economische verzelfstandiging waardoor twee partners beiden gedrongen of zelfs gedwongen worden buitenshuis betaald werk te verrichten. Deze drukke tweeverdieners hebben daardoor steeds mínder tijd beschikbaar om hun omgeving zorg te bieden. Ook de huidige trend om tot op hogere leeftijd door te moeten werken, draagt niet echt bij aan de versterking van mantelzorg en vrijwilligerswerk. Nu zou de WMO als een eerste stap kunnen worden gezien op de weg naar een noodzakelijke maatschappelijke omslag. De ChristenUnie zou dat toejuichen, maar als het hier gesignaleerde spanningsveld niet wordt opgelost, dan zou de WMO wel eens een bron van nieuwe zorgvragen kunnen worden in plaats dat deze wet bestaande zorgvragen gaat beantwoorden.

 

Op basis van de analyse van de regering pleit ik ervoor niet de beperkte hoeveelheid geld, maar de inhoudelijke visie op zórg tot uitgangspunt van beleid te blijven nemen. Ik ben het met de regering eens dat de thuiszorg, gezien haar aard, niet thuishoort in de AWBZ. Maar daarmee is niet gezegd dat de huishoudelijke zorg hoe dan ook naar de gemeenten moet worden overgeheveld. De huishoudelijke zorg zou wat mij betreft onlosmakelijk onderdeel van de zorgketen moeten blijven. In de praktijk blijkt immers dat een groot deel van de mensen die beginnen met een paar uur (enkelvoudige) thuiszorg binnen afzienbare termijn zwaardere vormen van zorg nodig hebben.

Ik ben bang dat door de overheveling van de huishoudelijke zorg naar de gemeenten de bureaucratie in de thuiszorg zal toenemen. In plaats van de huidige dertig zorgkantoren krijgen zorgaanbieders nu te maken krijgen met zo’n 450 al dan niet samenwerkende gemeenten. Vanuit de visie op zorg spelen preventie en signalering binnen de huishoudelijke zorg een belangrijke rol. Gemeenten zullen goed met dat aspect rekening moeten houden. Wanneer schoonmaakbedrijven voor de huishoudelijke zorg worden ingezet, dan dreigt mijns inziens verschraling van de zorg. Mijn pleidooi voor het behoud van de huishoudelijke zorg binnen de zorgketen sluit overigens steun voor de WMO niet uit. Het betekent wel dat er in mijn optiek sprake zou kunnen zijn van een smallere WMO.

 

Tweede Kamer als medewetgever

De Tweede Kamer heeft zich de breed in de samenleving levende kritiek aangetrokken. Tijdens de behandeling van de WMO zijn dertien belangrijke wijzigingen in de WMO aangebracht! Zo wilde de Kamer dat mensen die zorg nodig hebben de zekerheid krijgen dat ze die zorg ook daadwerkelijk krijgen. Daarvoor heeft de Kamer een zogeheten ‘compensatieplicht’ in de wet opgenomen. Dat betekent dat de gemeente die zorg moét aanbieden op grond waarvan mensen met een beperking een huishouden kunnen voeren en zich in en om het huis kunnen verplaatsen. Ook dient voor deze mensen lokaal vervoer te zijn geregeld.

Daarnaast was het gebrek aan keuzevrijheid voor degenen die zorg nodig hebben een doorn in het oog van de Kamer. De gemeenten zijn weliswaar verplicht om mensen de keus te geven of ze zelf hun zorg in willen kopen via een Persoonsgebonden Budget (PGB). Maar ook voor de zorg die door zorgorganisaties wordt geleverd zal keuzevrijheid moeten gelden. Verder is de ondersteuning van de mantelzorg veel nadrukkelijker in de wet opgenomen. Wanneer mantelzorgers tijdelijk verlichting van het zware werk nodig hebben, dan moet die zogeheten respijtzorg ook worden geboden.

Ook werden de wettelijke eisen voor medezeggenschap en cliëntenparticipatie  aangescherpt. Mensen en organisaties zullen al in een zeer vroeg stadium bij de beleidsvoorbereiding betrokken moeten worden.

Voorstellen om de gelden op nationale schaal specifiek voor de zorg te bestemmen (oormerken) werden door de coalitie van CDA, VVD en D66 weggestemd. Datzelfde lot ondergingen voorstellen (o.a. van André Rouvoet) om de kortingen op het gemeentelijke budget te beperken. Dat betekent dat ruim tweehonderd gemeenten bij de invoering van de WMO met forse bezuinigingen zullen worden geconfronteerd. Twee moties van Andre Rouvoet werden wel aangenomen: één om lokaal kerken, diaconieën, en dergelijke bij de uitvoering van de WMO te betrekken, de tweede om de vrijwilligersorganisatie ‘Stichting Present’ in verschillende gemeenten een vrijwilligersnetwerk op te laten zetten. En belangrijke motie van Rouvoet om de keuzevrijheid van zorgvragers concreter vorm te geven werd helaas verworpen. Raadsfracties kunnen proberen dat laatste punt op gemeentelijk niveau alsnog in te brengen en te regelen.

 

Gemeentelijke keuzen

Dankzij de door de Tweede Kamer aangebrachte wijzigingen is ook aan een groot aantal kritiekpunten van de ChristenUnie tegemoet gekomen. Natuurlijk kan een gemeentebestuur na invoering van de WMO ook op lokaal vlak nog eigen beleidskeuzes maken. 

Zo is bijvoorbeeld nog onduidelijk hoe de ‘compensatieplicht’ op gemeentelijk niveau zal worden uitgewerkt. Wel is duidelijk dat er sprake zal zijn van de nodige interpretatieruimte.

Daarnaast kan een gemeentebestuur ervoor kiezen de WMO-gelden op gemeentelijk niveau te oormerken. Dat betekent dat de gelden die door het Rijk in het Gemeentefonds worden gestort beschikbaar dienen te blijven voor de uitvoering van de WMO, of nog beperkter, voor de huishoudelijke zorg. Gezien de moeilijke financiële positie waarin veel gemeenten zich bevinden kan daarmee worden voorkomen dat gemeenten WMO-gelden te gemakkelijk aan andere doeleinden uitgeven. Deze oormerking kan een tijdelijk karakter hebben. Natuurlijk laat oormerking onverlet dat de gemeente desgewenst méér geld voor de uitvoering van de WMO beschikbaar stelt.

De indicering van de zorgvraag moet onafhankelijk en objectief zijn. Dat betekent in principe dus geen indicatie door de gemeente en niet door de zorgaanbieders, maar door een onafhankelijke organisatie. Eenvoudige indicaties aan de hand van standaardprotocollen kunnen wel onder verantwoordelijkheid van de gemeente plaatsvinden.

De gemeenten kunnen uiteraard ook meer of minder nadruk leggen op de ondersteuning van de mantelzorg en het vrijwilligerswerk.

Het tijdig betrekken van cliënten- en patiëntenorganisaties is in de wet vastgelegd, maar het blijft van groot belang dat daaraan op gemeentelijk niveau ook daadwerkelijk invulling wordt gegeven.

Voorts moet de gemeente de bereidheid hebben om structureel overleg met lokale diaconieën en caritasorganisaties te hebben. Binnen de kerken geldt immers de opdracht om dienstbaar te zijn en als een zoutend zout in deze wereld werkzaam te zijn. De oprichting van een lokaal diaconaal platform is daarvoor onmisbaar. In het kader van preventie, signalering, advisering, verwijzing en toeleiding kan een dergelijk platform een uitstekende rol vervullen.

 

De keuzevrijheid voor mensen met een zorgvraag is voor de ChristenUnie cruciaal. De indruk bestaat al snel dat de keuzevrijheid met het wettelijk vereiste aanbod van een PGB, wel is geregeld. Dat is echter niet het geval. Hoe goed een aanbod voor een PGB ook is, het aandeel hiervan betreft momenteel misschien maar 20% van de totale zorgvraag. Een groot deel van de zorg zal via zorgorganisaties ‘in natura’ blijven worden verleend. De ChristenUnie vindt dat ook bij deze zorg ‘in natura’ sprake moet zijn van keuzevrijheid. Cliënten moeten die zorgaanbieder kunnen kiezen die zij willen, bijvoorbeeld vanwege de levensbeschouwelijke identiteit.

Optimale keuzevrijheid kan volgens de ChristenUnie worden bereikt door bij meerdere zorgaanbieders prijsopgaaf te vragen voor bepaalde zorgpakketten. Op basis van die prijsinformatie kan de gemeente vervolgens bepalen welke maximumprijzen ze voor die bepaalde zorgpakketten bereid is te betalen. Zorgvragers met een indicatie voor een bepaalde zorgvraag kunnen vervolgens zelf de zorgaanbieder kiezen die men wil hebben. De voordelen van deze aanpak zijn evident. Naast de waarborging van de keuzevrijheid en de prikkel om doelmatig met de beperkte financiële middelen om te gaan, biedt dit systeem ook gelijke kansen voor de zorgaanbieders. Tenslotte kunnen met dit systeem langdurige bureaucratische en dus dure Europese aanbestedingsprocedures worden voorkomen.

 

Het gemeentelijke loket dient zowel fysiek, elektronisch als telefonisch bereikbaar te zijn. Het zorgaanbod zoals dat binnen het loket aan cliënten wordt voorgehouden dient neutraal van aard zijn. Er mag geen sturing door of eenzijdige verwijzing naar bepaalde zorgaanbieders plaatsvinden, ook niet binnen de woonzorgzones.

 

Door middel van kwaliteitseisen kan worden afgedwongen dat de geleverde zorg voldoet aan de wettelijk gestelde voorwaarden. Een gemeentebestuur zou er wel voor kunnen kiezen dat de maatschappelijke ondersteuning die geboden wordt geleverd moet worden door gecertificeerde zorgaanbieders.

 

Maatschappelijke ondersteuning dient tenslotte zoveel mogelijk op wijkniveau te worden georganiseerd. Dat schaalniveau sluit goed aan op het uitvoeringsniveau van andere beleidsterreinen zoals het wijk- en buurtbeheer, het onderwijs en de ontwikkeling van de woonzorgzones. Op deze manier kan de WMO ook bijdragen aan de verbetering van de leefbaarheid van woonwijken.

 

Tenslotte

In het voorgaande heb ik duidelijk proberen te maken dat de maatschappelijke analyse waarop de WMO is gebaseerd voor een belangrijk deel kan worden gedeeld. Met betrekking tot de voorgestelde maatregelen is er door de Tweede Kamer een groot aantal verbeteringen binnen de WMO aangebracht. Toch blijven er ook op gemeentelijk niveau nog de nodige keuzes te maken.

Ik hoop dat dit artikel mag bijdragen aan de erkenning dat het op het terrein van de maatschappelijke ondersteuning om belangrijke keuzes gaat. Keuzes waarbij de burger weliswaar zelf een belangrijke rol speelt, maar ook keuzes waarbij het aankomt op zorg ‘Voor Elkaar’. Daar dienen vertegenwoordigers van de ChristenUnie zich ook op lokaal niveau sterk voor te maken.

 

Dick Stellingwerf

Is in Ede net weer tot raadslid gekozen en is daarnaast werkzaam bij Beeuwkes Thuiszorg.