De belijdenis: hulp of hindernis bij christelijke politiek?

De belijdenis: hulp of hindernis bij christelijke politiek?

 

Door Gijsbert van den Brink

 

Heb je de gereformeerde belijdenisgeschriften nodig om goede christelijke politiek te kunnen bedrijven? Of preciezer: is een handtekening onder die belijdenis nodig alvorens iemand in staat geacht mag worden tot zulke politiek? Dat is de vraag waar het in (onder meer) dit artikel over gaat. Op de achtergrond speelt daarbij natuurlijk de discussie, of ook mensen van rooms-katholieke huize actief lid kunnen worden van de ChristenUnie. En hetzelfde geldt voor die evangelischen, die niet bereid zijn om met de Uniefundering van de ChristenUnie in te stemmen dat de Bijbel door de drie Formulieren van Eenheid wordt nagesproken. Strikt genomen zou dat laatste trouwens voor de mééste evangelische christenen moeten gelden, in elk geval bijvoorbeeld voor allen die de kinderdoop verwerpen. Maar dat maakt meteen het probleem al helder: want heeft hoe je over de doop denkt, of over Maria, nu werkelijk consequenties voor hoe je christelijke politiek bedrijft? Kortom, kan het niet veel beter zonder de belijdenis of andere menselijke documenten – waarom hebben we aan de Bijbel eigenlijk niet genoeg? Ik noem afwisselend twee pro- en contra-argumenten bij de stelling dat de verwijzing naar de belijdenis in de Uniefundering beter verwijderd kan worden, om uiteindelijk tot een afweging te komen.

 

P1: De tijden zijn veranderd, en daarmee de fronten

We leven in een andere wereld dan in de zestiende en zeventiende eeuw. De vooral gedurende de laatste halve eeuw snel veranderde samenleving leidt al enige tijd bij christelijke en christelijk-geïnspireerde organisaties over de hele linie tot een heroriëntatie op de wijze waarop zij hun identiteit vorm kunnen geven.[1] De scheidslijnen tussen de diverse bevolkingsgroepen lopen nu eenmaal niet langer zoals in het tijdperk van de klassieke verzuiling. Ideologisch gezien lopen ze momenteel vooral tussen (neo)liberalen die de betekenis en invloed van religie in de samenleving zoveel mogelijk willen terugdringen (D66, de VVD en alles rechts daarvan), en anderen. Onder die anderen kan dan weer onderscheiden worden tussen enerzijds gematigden c.q. halfhartigen (de PvdA aarzelt vaak, ook het CDA of in elk geval prominente CDA-ers stellen zich regelmatig liberaal op[2]) en anderzijds groepen die het veel krachtiger opnemen voor de blijvende gelding van bijbelse normen en waarden en het terugdringen van alles in de samenleving wat daarmee strijdt. De voor de hand liggende vraag is dus of die laatste groepen elkaar niet enorm hard nodig hebben. Wat hen bindt – opkomen voor een voluit christelijke politiek – is in de actuele praktijk veel relevanter dan wat hen scheidt – de oude controvers-theologische thema’s die Rome, de gereformeerde Reformatie en de doperse Reformatie verdeelden.

            Daar komt bij dat we vandaag meer dan in het verleden onder ogen zien dat er over de juiste uitleg van de Bijbel op onderdelen te twisten valt. Zuigelingendoop of geloofsdoop, om maar een willekeurig voorbeeld te noemen – velen zijn er in tegenstelling tot de belijdenisgeschriften niet meer zo zeker van. Wat wél zeker lijkt, is dat dit soort verschillen in de uitleg van de Bijbel een samen optrekken in de politiek niet in de weg hoeven te staan.

 

 

C1:  De belijdenisgeschriften markeren nog altijd op heldere wijze de identiteit van de gereformeerde protestanten die zich in de CU verenigd hebben

Hier kan tegenin gebracht worden, dat de beslissingen die in de belijdenisgeschriften genomen worden van grote betekenis zijn en blijven voor de identiteit van gereformeerde protestanten. Ook al hebben deze beslissingen veelal niet in directe zin politieke betekenis, ze geven wel weer wat belangrijk is voor het zelfverstaan van hen die zich erin herkennen. En indirect kan dat wel degelijk gevolgen hebben voor de mogelijkheden of onmogelijkheden van politieke samenwerking. Wie – om het voorbeeld van zojuist nog eens te gebruiken – de kinderdoop echt als ontzettend wezenlijk ervaart voor zijn geloof en leven, zoals dat bijvoorbeeld voor velen uit het voormalige GPV zal gelden, zal zich moeilijk helemaal thuis kunnen voelen bij en samen op kunnen trekken met evangelischen die weinig dingen zozeer verafschuwen als de kerkelijke kinderdooppraktijk… Bij de EO lijkt om polarisatie te voorkomen een soort afspraak te bestaan om over dit soort thema’s niet teveel te spreken, maar de vraag is of deze daardoor niet te zeer voor secundair en onbelangrijk gehouden worden. Waar het hart vol van is, daar loopt de mond in elk geval van over.     

            Soortgelijke voorbeelden zijn ook te geven naar rooms-katholieke zijde. Vanuit de kleine christelijke partijen is het CDA en zijn voorgangers altijd voorgehouden dat deze de breuk Rome-Reformatie negeerden. Een sprekend citaat: ‘Wanneer we ons … laten wiegen door alle illusies van eenheid en samenvloeiing, geven we aan de leidslieden die ons van God geschonken zijn, aan Luther en Calvijn het bevret dat zij niet om fundamentele bezwaren, maar wegens wissewasjes en futiliteiten de kerk uit het diensthuis van Rome hebben uitgeleid’.[3] Het gaat bij de verwijzing naar de belijdenisgeschriften dus niet slechts om de concrete inhoud daarvan, maar ook en misschien wel veelmeer om datgene waar deze voor staan. De Formulieren van Eenheid vormen het symbool van een ge-reformeerde kerk, van waaruit ook de reformatie van de samenleving c.q. de natie ter hand genomen wordt. Onafhankelijk van de vraag of men daarbij een theocratisch ideaal aanhangt, ziet men die samenleving idealiter als een zoveel mogelijk protestants-gereformeerde samenleving. Een dergelijk ideaal functioneert niet direct in de actuele partijpolitiek, maar vormt wel mede de politieke overtuiging van waaruit deze bedreven wordt. Het zal duidelijk zijn dat zo bezien samenwerking met rooms-katholieken niet direct voor de hand ligt, en dat de verwijzing naar de belijdenisgeschriften in grondslagformules een heldere manier vormt om dit aan te geven.

 

P2: Nu al baseert de CU zich goed beschouwd slechts op een déél van de belijdenisgeschriften – en wel een deel dat ook door anderen onderschreven kan worden

Kijken we nu echter iets preciezer naar de wijze waarop in de Uniefundering van de ChristenUnie naar de belijdenisgeschriften verwezen wordt, dan valt daaraan nog een interessant argument te ontlenen om deze verwijzing te schrappen. Allereerst valt op, dat volgens de gekozen formulering de Bijbel door de betreffende belijdenisgeschriften wordt ‘nagesproken’. Maar als dat zo is, kan men natuurlijk met de Bijbel volstaan. De belijdenis doet dan immers niets anders dan nog eens zeggen wat de Bijbel ook al zegt. Het werkwoord ‘naspreken’ doet echter niet helemaal recht aan de werkelijke verhouding tussen Bijbel en belijdenis. In werkelijkheid zijn lang niet alle belijdenissen samenvattingen (laat staan ‘nasprekingen’) van de Bijbel – het Apostolicum komt hier wellicht nog het dichtst bij – maar gaat het minstens zozeer om actualiseringen, toespitsingen en doorvertalingen van de bijbelse boodschap. De belijdenissen zijn hermeneutisch van aard. Ze beogen een goede ‘leeswijzer’ bij de Bijbel te verschaffen. Zo’n leeswijzer is belangrijk, omdat de Bijbel op zichzelf een heterogeen en veelzijdig boek is. Wie geen oog heeft voor de onderhuidse samenhang en grondstructuur ervan, kan er alle kanten mee uit (‘elke ketter heeft z’n letter’). De belijdenisgeschriften proberen nu te helpen om die onderhuidse samenhang en eigenlijke strekking van de Bijbel op het spoor te komen, zodat deze niet op een willekeurige manier gelezen wordt. Soms willen ze ook een bepaald thema dat ter discussie staat vanuit de grondstructuur van de bijbel tot in z’n uiterste consequenties doordenken, zoals in de Dordtse Leerregels – waarbij de vraag kan opkomen of dat helemaal gelukt is.[4] Belijdenisgeschriften hebben naast een hermeneutische functie nog allerlei andere functies: ecclesiologisch, catechetisch, didactisch, liturgisch, doxologisch, apologetisch, en zelfs missionair. Ze vormen, naar een zegswijze boven de Nederlandse Geloofsbelijdenis, een ‘akkoord van gemeenschap’, waarbij ook buitenstaanders uitgenodigd worden: overweeg deze manier van bijbellezen eens, die opkomt uit een traditie van gemeenschappen die eeuwenlang dicht bij de Bijbel geleefd hebben. Geeft deze leeswijzer niet het juiste zicht op de rode draad van de Bijbel, en op wat de Bijbel ons in allerlei opzichten concreet te zeggen heeft? Kortom, belijdenisgeschriften doen in werkelijkheid veel meer en vaak zelfs iets anders dan de Bijbel ‘naspreken’.

            Nu valt echter in de tweede plaats op, dat de ChristenUnie haar verwijzing naar de belijdenisgeschriften op een heel speciale manier rechtvaardigt:

 

‘De ChristenUnie baseert haar christelijk-politieke overtuiging op de Bijbel. De Bijbel is door God ingegeven (‘geïnspireerd’) en heeft gezag als het Woord van God. Daarmee is de Bijbel de enige norm voor de fundering van het politieke denken en handelen binnen de ChristenUnie. Het beroep op de ‘Drie Formulieren van Enigheid’ … wil dat extra onderstrepen. Dat is nodig omdat onder christenen niet altijd eenduidig wordt gesproken over het gezag van het Woord van God. Ook ondersteunen deze belijdenisgeschriften de christelijk-politieke overtuiging. Ze spreken onder meer over de plaats van de overheid en de betekenis van de wet van God voor de samenleving.’[5]

 

Dit is een interessante toelichting, omdat deze suggereert dat niet de volledige inhoud van de belijdenisgeschriften van belang is, maar slechts enkele delen daaruit. In het bijzonder gaat het dan om de gedeelten die handelen over het Schriftgezag, over de plaats van de overheid en over de betekenis van Gods wet voor de samenleving. Echter, als de betekenis van de belijdenisgeschriften voor de politieke uitgangspunten van de ChristenUnie inderdaad hiertoe gereduceerd wordt, dan bestaat er mijns inziens nu al geen enkel probleem om rooms-katholieken en evangelischen als actief lid toe te laten. Wel zou het dan reëel zijn, om de desbetreffende passages – ik vermoed: NGB artikel 3-5 en (met alle uitlegmoeilijkheden daarvan) ook 36; en verder HC zondag 36 tot en met 44 – uit het gehele corpus uit te lichten, en instemming dáármee te vragen. Dat zal voor veel katholieken en evangelischen die serieus met hun geloof bezig zijn nauwelijks een probleem zijn.[6] Wanneer het dus bestaand beleid is om de verwijzing naar de belijdenisgeschriften in de Uniefundering op deze wijze te exegetiseren, dan lijkt me de huidige formulering mystificerend, en kan men deze beter zó aanpassen dat klip en klaar duidelijk is waarmee de partij precies instemming verwacht van haar leden.

 

C2: Het loslaten van de verwijzing naar de gereformeerde belijdenisgeschriften in de Uniefundering kan het bestaansrecht van de CU naast het CDA in het geding brengen

Juist in het verlengde van P2 komt echter ook een overweging op, die pleit voor handhaving van de verwijzing naar de belijdenisgeschriften in de Uniefundering, en dan in ‘onverkorte’ zin. Immers, als de belijdenisgeschriften werkelijk de leeswijzer bij uitstek vormen om de Bijbel te verstaan, dan lijkt het niet raadzaam deze los te laten. Hebben we aan de Bijbel dan niet genoeg? Nee, inderdaad niet. Want de Bijbel wordt in de praktijk op allerlei manieren uitgelegd – van biblicistisch tot zeer vrij(zinnig). De belijdenisgeschriften pogen de Bijbel als het ware naar beide zijden af te schermen. Enerzijds dus tegen een biblicistische uitleg, die op de letter afgaat en geen oog heeft voor de onderliggende verbanden, en anderzijds tegen een liberale duiding, die het gezag dat de Bijbel van Godswege met zich meebrengt onvoldoende erkent. Dat laatste risico kan men proberen te weren door een bepaalde vorm van instemming met het gezaghebbende karakter van de Bijbel te vragen. Maar de vraag is of dat lukt wanneer men niet meteen ook aangeeft wat erkenning van het gezag van de Bijbel dan materieel allemaal impliceert. De simpele voorwaarde bijvoorbeeld dat de ChristenUnie alleen bijbelgetrouwe christenen zou willen verenigen, of christenen die het gezag van de Bijbel serieus nemen, kan in elk geval niet volstaan. Kenmerkend voor velen die de Bijbel op een liberale manier uitleggen is namelijk, dat zij dat zelf niet zien als een aantasting van het gezag van de Schrift, maar als voortkomend uit een andere visie op de aard van dat gezag, en vandaaruit op haar uitlegmogelijkheden. Een modern theoloog als H. Berkhof betoogde bijvoorbeeld, kort door de bocht geformuleerd, dat Jezus, als je het Nieuwe Testament goed leest, slechts mens was, en niet daarnaast ook God. Dat is natuurlijk evident in strijd met de belijdenisgeschriften. Maar Berkhof zal ontkennen dat het ook in strijd is met de Bijbel en haar gezag.

            Elders heb ik de belijdenis vergeleken met een ring of gordel die gaandeweg om de Bijbel gelegd is, ongeveer analoog aan de wijze waarop wetenschappers en wetenschapstheoretici onderscheiden tussen de onopgeefbare harde kern en de (in principe voor bijstelling in aanmerking komende) beschermende gordel van een wetenschappelijk onderzoeksprogramma.[7] Geeft men de ring eraan, dan komt de kern zélf open te liggen voor allerlei aanpassingswerkzaamheden en valt ook niet meer aan te geven waar die halt moeten houden. Concreet: door de belijdenisgeschriften als identiteitskenmerk los te laten, kan de ChristenUnie terechtkomen op een weg die ook – om maar eens wat te noemen – fans van Harry Kuitert in haar gelederen brengt, en wie weet op termijn zelfs ook oecumenisch-gezinde moslims. Kortom, de vraag is of met een eventueel loslaten van haar op de gereformeerde belijdenisgeschriften geënte identiteit het bestaansrecht van de ChristenUnie naast het CDA uiteindelijk niet in het geding komt. Natuurlijk zal er verschil in sfeer en nestgeur blijven, maar als er weinig structureel verschil meer is, kunnen ChristenUnie-leden dan niet beter proberen om binnen het veel grotere CDA zoveel mogelijk invloed te krijgen?

 

Om de ‘religie’ der belijdenis.

Die laatste overweging – in feite natuurlijk een versie van het hellend vlak-argument – lijkt voldoende reden om onverkort instemming met de belijdenisgeschriften te blijven vragen van ieder die actief lid wil worden van de ChristenUnie. Echter, wat mij betreft is ze op zichzelf toch niet doorslaggevend. Alle vier de bovengenoemde argumenten hebben een eigen gewicht. Daarom is de uiteindelijke afweging wat mij betreft ook verre van eenvoudig.

            Wat het hellend-vlak argument betreft, is voor mij echter een woord van de theoloog  Noordmans betekenisvol geworden. Noordmans heeft ooit gezegd, dat christenen zich per definitie op een hellend vlak bewegen.[8] De vraag is dus niet of je daarop terechtkomt, maar hoe je erop staande blijft. Dat laatste lukt naar het mij voorkomt uiteindelijk niet met allerlei formuleringen, hoe dichtgetimmerd ook, waarmee formele instemming wordt geëist. De (kerk)geschiedenis van de afgelopen eeuw heeft omstandig laten zien dat het zo niet werkt.[9] Een identiteit laat zich uiteindelijk niet borgen met behulp van ondertekeningsformules. Veel bepalender is of er door de generaties heen een innerlijke, geestelijke aansluiting blijft bestaan bij de Bijbel en bij waar het in de Bijbel om gaat. In mijn eigen (hervormd-gereformeerde) traditie heet dat: de religie der belijdenis, waar men bevindelijk, dus met het hart, uit leeft.[10] Daarbij gaat het niet om de belijdenis als zodanig alsof deze los zou staan van de bijbel, maar wordt de belijdenis juist opgevat als ‘geleidend’ naar de bijbel zelf. Dat de bijbel zélf werkelijk centraal blijft staan als bron en norm van ons handelen (en dan niet slechts formeel, maar vanuit een innerlijke overtuiging) is waar het op aankomt, en waar mutatis mutandis ook het ‘uitgesproken christelijk’[11] karakter van de ChristenUnie in de toekomst mee staat of valt.

            Men kan denk ik wel min of meer zien aankomen, dat de ChristenUnie vroeg of laat de verwijzing naar de belijdenisgeschriften in de Uniefundering zal laten vervallen dan wel zal aanpassen. De inbreng van evangelischen wordt immers groter, de roep van rooms-katholieken luider. Ik zou er echter voor willen pleiten om, wanneer hier inderdaad op enig moment toe besloten zou worden, tegelijk na te denken over goede en creatieve manieren om leden die actief willen worden in de ChristenUnie, dieper in te wijden in het bijbels-geestelijke klimaat waarin de partij wil ademen. Een cursus ‘Bijbel en belijdenis’ voor mensen die namens de ChristenUnie politiek gaan bedrijven, is misschien vast een eerste idee…

 



[1] Zie hierover recent Auke van Nijen, Met alle respect. Hoezo christelijk-levensbeschouwelijke zingeving in de maatschappij? Budel 2005.

[2] Twee willekeurige voorbeelden, beide op de dag dat ik dit schrijf (28-02-06) in de media aangetroffen: inzake de zogenaamde Deense cartoonkwestie liet minister Bot zich binnen de EU geheel in lijn met het neoliberale dogma slechts kritisch uit in de richting van de moslimreacties, en niet in de richting van het misbruik dat van persvrijheid gemaakt wordt wanneer men erop uit is om anderen bewust in hun godsdienstige gevoelens te kwetsen. En minister de Geus spant zich in zijn emancipatiebeleid (in dit geval gezien zijn bevordering van de kinderopvangmogelijkheden) erg in om vooral niet lager te scoren op de feministische meetlat dan zijn paarse voorgangers.

[3] H.G. Abma in: J. Mulder e.a., Tot welzijn van het volk. SGP-partijredes van ds. H.G. Abma, ’s Gravenhage 2002, 409 (het citaat dateert overigens al uit 1964; vanaf de zeventiger jaren ‘klinken minder uitsluitend antithetische tonen’ richting Rome bij ds. Abma., 406, ‘al zullen de bezwaren tegen het rooms-katholicisme onverkort gehandhaafd zijn’, 407). Ook de RPF noemde zich natuurlijk niet voor niets een Reformatorisch Politieke Federatie. Men kan zeggen, dat met de latere keuze door RPF en GPV voor de naam ChristenUnie de vraag naar mogelijke participatie van rooms-katholieken meteen open kwam te liggen.

[4] Vgl. W. Verboom, De belijdenis van een gebroken kerk, Zoetermeer 2005.

[5] Ik ontleen dit citaat aan de website van de ChristenUnie (http://www.christenunie.net/), maar het zal vermoedelijk ook wel ergens in geschrifte te vinden zijn.

[6] Een probleem voor rooms-katholieken zou mogelijk wel ontstaan, wanneer ook art. 6 en 7 uit de NGB toegevoegd zouden worden, die eveneens over de Bijbel gaan; ik zou echter hopen, dat velen van hen inmiddels toch wel in kunnen stemmen met wat hier staat…

[7] ‘De belijdenis als “protective belt”’, in: M. Barnard, L.J. van den Brom & F. de Lange (red.), Protestants geloven. Bij bijbel en belijdenis betrokken, Zoetermeer 2003, 129-141.

[8] ‘Het bewuste “hellend vlak” van dr. Kuyper is de normale bodem van onze theologie. Dat het gevaar oplevert is juist gezien. Maar slechts voor degene die zich er niet op heeft leren bewegen’.  O. Noordmans, Verzamelde Werken 1, Kampen 1978, 176.

[9] M.n. de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken in Nederland – indertijd een echte ‘belijdeniskerk’ – maakt dit duidelijk.

[10] Vgl. bijvoorbeeld W.L. Tukker e.a., De religie van het belijden, Kampen 1973.

[11] Tijdens de eerder dit jaar gehouden gemeenteraadsverkiezingen presenteerde André Rouvoet de ChristenUnie ergens met een mijns inziens mooie zinswending als een ‘uitgesproken christelijke’ partij.