ChristenUnie en belijdenisgeschriften

ChristenUnie en belijdenisgeschriften

 

Jan Post

 

“De ChristenUnie erkent Gods heerschappij over het staatkundig leven, dat de overheid door God is gegeven en in Zijn dienst staat en dat christenen de verantwoordelijkheid hebben actief te zijn in de samenleving. Zij fundeert haar politieke overtuiging op de Bijbel, het geïnspireerde en gezaghebbende Woord van God, die door de Drie Formulieren van Eenheid wordt nagesproken en die ook voor het staatkundig leven wijsheid bevat.”, zo luidt de Uniefundering. We zouden bijna zeggen, de basis waarop de fusie tussen RPF en GPV tot stand is gekomen.

 

Steeds meer echter, komt de vraag naar voren of déze Uniefundering met haar expliciete maar tegelijkertijd losse verwijzing naar de gereformeerde belijdenisgeschriften niet een al te grote drempel vormt om Evangelische en Rooms-Katholieke broeders en zusters tot de geledingen van de ChristenUnie toe te laten. Zíj vinden geen politiek tehuis en hebben, ook bij elkaar, een te smalle basis om politiek enige stem te krijgen.

 

Behalve pragmatische argumenten als deze, worden ook steeds vaker principiële argumenten naar voren gebracht. Mógen wij hen die met ons ten diepste maar één belijdenisgeschrift hebben van één regel (namelijk ‘de gekruisigde Christus’) zomaar de deur wijzen? Doen we er zelfs niet fout aan door SGP-achtige constructies te bedenken als ‘wel actief zijn voor …’ maar ‘geen lid worden van…’?

 

Kortom: zijn wij wel gerechtigd déze Uniefundering te blijven hanteren? Of zouden we deze verklaring nog eens goed tegen het licht moeten houden? Pragmatische én principiële argumenten goed afwegend?

 

Met name zij die de woelige jaren zestig en zeventig kerkelijk bewust hebben meegemaakt, zullen niet allen zomaar deze stap kunnen maken. “De RPF is er niet voor niets gekomen”, zullen zij aanvoeren. “Kijk eens wat er met het CDA is gebeurd …of met de Gereformeerde Kerken in Nederland die met hun ‘dynamische’ binding aan de belijdenisgeschriften zo het hellend vlak af roetsjten.” 

 

Waar we binnen de ChristenUnie enorm voor moeten oppassen is dat wij bij het horen van het woord ‘belijdenisgeschrift’ als het hondje van Pavlov gaan reageren: ‘belijdenisgeschrift’ = hellend vlak = rood alarm. Een dergelijke redenering is niet alleen principieel onjuist maar ook sociologisch niet verantwoord.

 

Maar zo ook is het omgekeerde onverantwoord: de Uniefundering vooral verbreden om daarmee onze aantrekkingskracht te vergroten en onze positie in de politieke arena te versterken. Deze argumentatie is gebaseerd op de gedachte dat naarmate we onze identiteit vager beschrijven meer mensen op onze partij gaan stemmen of zelfs lid worden. Dat kan geen argument zijn en zal uiteindelijk leiden tot een humanistisch betoog, misschien nog op één plaats opgehangen aan het Evangelie als aan een spijker (De kritiek van H. Algra ten tijde van de totstandkoming van het CDA). Laten we dan meteen ieder onze eigen (politieke) weg gaan.

 

Tussen deze twee polen zal de ChristenUnie zich moeten begeven. De Uniefundering draagt, zo zal iedere oplettende lezer opvallen, diepe sporen van het compromis: “Laten we het zo maar doen, anders komt de ChristenUnie er nooit.” Dat compromis kan niet heilig verklaard worden. Kan dus besproken en bediscussieerd worden. De Uniefundering wel veranderen is een keuze die verantwoord moet worden. Maar diezelfde verantwoording moeten wij ook afleggen als de Uniefundering in tact wordt gelaten.