Augustinus en de vrede op aarde

Augustinus en de vrede op aarde

 

Door Martin Ruiter

 

 

Inleiding

Augustinus (354-430) leefde in roerige politieke omstandigheden. Het christelijke Romeinse rijk stond aan het begin van de vijfde eeuw na Christus onder grote druk. Germaanse stammen rukten op vanuit het noorden en belegerden de belangrijkste steden. In 410 veroverde Alarik met zijn leger Rome. De val van Rome had vooral een grote symbolische betekenis. De stad fungeerde al langer niet meer als het bestuurlijke centrum van het Romeinse rijk, maar stond wel symbool voor de rijke historie en de onoverwinnelijkheid ervan. De verwoesting van Rome riep daarom kritische vragen op. De heidenen in het Romeinse rijk grepen de gelegenheid aan vraagtekens te stellen bij de macht van God. Als christenen beweren dat hun God de machtigste is, waarom grijpt Hij dan niet in? Hoe kan het dat een christelijk rijk het onderspit moet delven tegen barbaren?

Door deze vragen werden veel christenen in het nauw gedreven. Zij voelden dat zij zich maar moeilijk konden verweren tegen de heidense aantijgingen. Uitgedaagd door deze pijnlijke omstandigheden heeft Augustinus zich toegelegd op het schrijven van wat zijn magnum opus is geworden: De stad van God.[1] Het boek is tegelijkertijd veelzijdig en diepzinnig. Het bevat een verdediging van het christelijke geloof tegenover het heidense polytheïsme, het levert een alomvattende visie op het verloop van de geschiedenis en het reikt de bouwstenen voor een christelijke ethiek aan.

In dit grotere verband moeten ook Augustinus’ uitspraken over staat en politiek worden begrepen. Het spreekt voor zich dat Augustinus niet bekend was met de kenmerken van de huidige democratische rechtsstaat. De Nederlandse representatieve democratie met de verschillende christelijke partijen heeft hij niet gekend. Ook is zijn denkkader niet gekleurd door het allesoverheersende mensenrechtendebat, de discussies over de grenzen van de vrijheid van godsdienst en meningsuiting en het gelijkheidsbeginsel. Niettemin is Augustinus’ denken van belang voor de 21e eeuw. Augustinus heeft enkele fundamentele beginselen geformuleerd en onderscheidingen aangebracht die ook voor het bedrijven van christelijke politiek in deze tijd relevant zijn. Centraal in dit artikel staat het onderscheid tussen tijdelijkheid en eeuwigheid. Dat komt allereerst tot uitdrukking in de kenmerken van de aardse en de hemelse stad. Vervolgens zal worden nagedacht over het wetgevingsproces aan de hand van Augustinus’ onderscheid tussen de eeuwige en de tijdelijke wet.

 

Twee steden en twee soorten vrede

De rode lijn in De stad van God wordt gevormd door de spanning tussen de aardse en de hemelse stad. Het gaat daarbij niet om twee concreet aanwijsbare steden. Doorslaggevend is de gerichtheid van de burgers van de stad. De bewoners van de aardse stad zijn gericht op zichzelf en materiële zaken. Zij zoeken hun heil in lichamelijke schoonheid, rijkdom en feesten. Hun wereldbeeld is plat, er is geen ruimte voor bezinning en hooggestemde idealen. De bewoners van de hemelse stad daarentegen richten hun blik naar boven. Ze zoeken hun genot niet in aardse zaken, maar leven in de verwachting van het hemelse leven. Ze voelen zich niet thuis in een wereld waar macht, bezit en lust om voorrang strijden.

Hoewel de steden hemelsbreed van elkaar verschillen, is de scheiding in het aardse bestaan nog niet van kracht. De burgers van beide steden leven door elkaar heen, zoals het kaf opgroeit tussen het koren. Pas bij het Laatste Oordeel wordt gevraagd naar het paspoort waaruit het burgerschap blijkt.

Omdat politiek wordt bedreven in het aardse bestaan, is het van belang Augustinus’ kijk op dit bestaan weer te geven. Augustinus ziet het aardse leven niet bepaald rooskleurig in. Het volgende citaat laat zien waar de pijn zit. Alle ellende is een gevolg van de zonde:

 “Dit leven – als men het, bij de vele, zware ellende waarvan het vervuld is, nog leven kan noemen – bewijst immers wel dat het hele nageslacht van de stervelingen al meteen in zijn oorsprong een veroordeeld geslacht is geworden. Waarop anders wijst die huiveringwekkend diepe onwetendheid, die de bron is van alle dwaling en in wier schoot alle kinderen van Adam zijn opgenomen, zodat geen mens er zich zonder moeite, smart en angst uit vermag te bevrijden? Waar anders wijst die hang naar zoveel ijdele en schadelijke dingen en alles wat daaruit voortkomt: knagende zorgen, onrust, neerslachtigheid, angsten, dwaze genoegens, onenigheden, processen, oorlogen, hinderlagen, woedevlagen, vijandschap, veinzerij, vleierij, bedrog, diefstal, roof, trouweloosheid, hoogmoed, eerzucht, afgunst, doodslag, vadermoord, wreedheid, harde grimmigheid, gemeenheid, overdaad, brutaliteit, schaamteloosheid, ontucht, echtbreuk, bloedschande en al die tegennatuurlijke ontuchtigheden en onkuisheden, door beide geslachten gepleegd, die het zelfs schandelijk is te noemen, heiligschennissen, ketterijen, godslasteringen, meineden, onderdrukking van onschuldigen, lasterpraat, misleiding, rechtsverdraaiing, valse getuigenissen, onrechtvaardige vonnissen, geweldplegingen, roverijen en al wat er aan dergelijke wandaden mij nu niet invalt, maar dit aardse leven van de mensen blijft teisteren?”[2]

Hoewel scherp geformuleerd kan de stelling dat op alle niveaus van het samenleven het ongemak, de onrust en de onvrede overheersen, met recht worden verdedigd. Veel mensen piekeren zich kapot en raken in een depressie. Thuis maken gezinnen elkaar het leven bij tijd en wijle onmogelijk. In het publieke domein wordt niet alleen onderling gedreigd met processen, maar blijkt bovendien dat niet alle zaken zorgvuldig worden behandeld. Op wereldniveau kijken we machteloos toe hoe oorlogen, rampen en ziekten grote delen van de wereldbevolking wegvagen. Terecht trekt Augustinus de conclusie dat ieder mens primair op zoek is naar vrede: naar rust in het hoofd, harmonie in het gezin, sociale cohesie in de samenleving en duurzame vrede en veiligheid op mondiaal niveau.

Al deze vormen van vrede vat Augustinus samen onder de noemer ‘aardse vrede’. Kenmerkend voor de aardse vrede is dat deze negatief wordt geformuleerd. Het gaat om de afwezigheid van onderlinge spanningen en uitbarstingen daarvan. De aardse vrede wordt namelijk zomaar verstoord. De oorzaak is gelegen in de verkeerde neigingen van de mens – een punt dat Augustinus steeds weer benadrukt. Ten diepste is de mens niet in staat in vrede met anderen te leven. Dat maakt de aardse vrede, als die al bereikt wordt, zeer wankel en tijdelijk.

De hemelse vrede is van geheel andere aard. Hiervan kan een positieve typering worden gegeven: de hemelse vrede is eeuwig en onbedreigd. Ze bestaat in de aanschouwing van God ‘van aangezicht tot aangezicht’. Er zijn geen zonden die het genot bederven, geen zondaars die de vrede wreed verstoren.  

 

Eén aardse overheid met één speerpunt

Wat is nu de rol van de politiek? Augustinus acht het de primaire taak van het bestuur van de aardse stad te streven naar aardse vrede. Het is zinvol deze taakstelling nader te ontleden.

Augustinus gaat ervan uit dat ieder mens – goed of slecht, burger van de hemelse of de aardse stad – in vrede wil leven. Dat is geen vorm van pacifisme. Nadrukkelijk stelt Augustinus dat er soms oorlogen gevoerd moeten worden om een duurzame vrede tot stand te brengen. Wat hij bedoelt is dat samenleven pas mogelijk wordt met een minimale vorm van vrede. Een eerste vereiste is dat mensen elkaar de hersens niet inslaan. Niettemin is een samenleving pas werkelijk leefbaar bij een ruime mate van vrede. Dat is een tolerante samenleving waarin afwijkende opvattingen respectvol worden geduld zolang deze geen afbreuk doen aan diezelfde vrede.

Een belangrijke gevolgtrekking hieruit is dat gelovigen en ongelovigen in beginsel samen optrekken om de aardse vrede tot stand te brengen. Beide groepen kunnen vanuit een algemeen menselijke behoefte eendrachtig bijdragen aan een vreedzame samenleving. Toch is er een belangrijk verschil tussen de burgers van de aardse stad en de burgers van de hemelse stad die op aarde leven. Voor burgers van de aardse stad is de aardse vrede een einddoel. Rust en harmonie staan in hun beleving gelijk aan een ongestoord genot van geld en goed. De burgers van de hemelse stad daarentegen gebruiken de aardse vrede als middel. Het streven hiernaar is voor hen een overlevingsstrategie, een pleister op de wonde. De aardse vrede biedt eerder troost dan vreugde. Ze is een steun in de rug voor vreemdelingen op weg naar hun vaderland.

De taakstelling is bewust beperkt tot de aardse vrede, de hemelse vrede valt erbuiten. Dat is niet omdat de hemelse vrede niet wenselijk zou zijn. De reden is allereerst dat het realiseren van de aardse vrede alle aandacht opeist. De aardse vrede is nooit een rustig bezit, altijd moet deze actief worden hersteld en bewaard. Daarom is, als zelfs de aardse vrede al niet blijvend kan worden gerealiseerd, de hemelse vrede helemaal te hoog gegrepen. De beperking is echter niet alleen praktisch. Augustinus zou het stichten van een hemel op aarde ook afkeuren. De hemelse vrede is principieel onverenigbaar met de huidige toestand van de wereld. Volmaaktheid gaat niet samen met verdorvenheid, eeuwigheid is van een andere orde dan tijdelijkheid. Gelovigen mogen daarom alleen hopen op de eeuwige vrede. Die hoop anticipeert op de hemelse vrede en zorgt voor een levendige verwachting. De ervaring van de aardse vrede kan worden tot een voorproefje van de hemelse vrede en levert de benodigde energie om ondanks alles aan het verheven ideaal vast te houden.

 

Onderscheid in wetten

In het bovenstaande is betoogd dat gelovigen en ongelovigen kunnen samenwerken in het nastreven van de aardse vrede. Dat kan op vele manieren: door het strafbaar stellen en de daadwerkelijke bestraffing van misdaden, door het waarborgen van een goede opvoeding en goed onderwijs, door het stimuleren van burgerinitiatieven op allerlei gebieden, et cetera. Het gaat er op deze plaats niet om wat het concrete beleid van een overheid zou moeten zijn. Augustinus benadert de materie vanuit een ander gezichtspunt: hij stelt de vraag naar de rechtvaardigheid van de wetten. Zijn onuitgesproken vooronderstelling is dat alleen rechtvaardige wetten kunnen bijdragen aan de aardse vrede.

Om een oordeel te kunnen vellen over de rechtvaardigheid van een wet maakt Augustinus onderscheid tussen tijdelijke wetten en de eeuwige wet. Tijdelijke wetten zijn alle wetten die, meestal volgens een vooraf bepaalde procedure, kunnen worden afgekondigd en afgeschaft. Het zijn tijdelijke wetten in de zin dat ze geen bestaansrecht buiten een rechtsgemeenschap om hebben. Voorbeelden uit het Nederlandse recht zijn het Wetboek van Strafrecht en het Burgerlijk Wetboek.

Voor de eeuwige wet gelden andere kenmerken. De eeuwige wet is niet afhankelijk van het zittende regime of de waan van de dag. Ze kan niet worden afgeschaft of veranderd, maar geldt onverkort en te allen tijde. Ze is de morele wet die aanzet tot goed handelen: “De eeuwige wet schrijft voor dat wij het hartstochtelijk verlangen naar dingen die voorbijgaan opzijzetten en ons hart zuiver en alleen richten op zaken met een eeuwigheidswaarde.”[3] Zo geformuleerd is de eeuwige wet te beschouwen als de constitutie van de hemelse stad.

 

Onderscheidingsvermogen van wetgevers

Van belang is de verhouding tussen de eeuwige wet en de tijdelijke wetten. Er is niet alleen een feitelijk verschil in reikwijdte tussen de eeuwige wet en de tijdelijke wetten, de eeuwige wet heeft ook een normerende functie richting de tijdelijke wetten. Ze vormt als het ware het model aan de hand waarvan de tijdelijke wetten moeten worden vormgegeven om het stempel van rechtvaardig te kunnen krijgen. Er zijn drie scenario’s denkbaar: de tijdelijke wet is in strijd met de eeuwige wet, de tijdelijke wet is in overeenstemming met de eeuwige wet en de eeuwige wet wordt niet omgezet in een tijdelijk wet.

Allereerst kan de wetgever van een staat ervoor kiezen de tijdelijke wetten naar eigen inzicht in te richten. Hij stelt niet de gerechtigheid maar de eigen genoegens voorop. Hij streeft niet na ieder het zijne te geven, maar is uit op vergroting van eigen eer en rijkdom. Een dergelijk staatsbestel is volledig in strijd met de eeuwige wet. De tijdelijke wetten leiden naar de bevrediging van aardse genoegens in plaats van de richting te wijzen naar een moreel hoogstaand leven.

Daarentegen kunnen tijdelijke wetten die voor harmonie en vrede zorgen als rechtvaardig worden beschouwd. Ze zijn in overeenstemming met de gerechtigheid van de eeuwige wet. Dat betekent niet dat de tijdelijke wet alles moet verbieden wat naar maatstaven van de eeuwige wet als afkeurenswaardig moet worden beschouwd. De tijdelijke wetten hebben een beperkter toepassingsgebied dan de eeuwige wet. De eeuwige wet gaat over eeuwig leven en dood, niet over tijdelijk geluk en ongeluk.

Het derde scenario betreft situaties waarin geen wetten zijn gesteld. Het gaat hier niet zozeer om de extreme vorm waarin helemaal geen wetten gelden, maar om handelingen waarvoor geen specifieke regels gelden. Een duidelijk voorbeeld hiervan is overspel. In het verleden bestonden er wetten die het plegen van overspel strafbaar stelden. Tegenwoordig wordt overspel niet meer juridisch vervolgd en bestraft. Wat betekent dit voor de verhouding tot de eeuwige wet? Het houdt in elk geval niet in dat overspel geen kwaad meer is. De geldigheid van de eeuwige wet is niet afhankelijk van positivering in tijdelijke wetten. De consequentie is slechts dat in het tijdelijke leven overspel niet meer door de staat wordt bestraft. De eeuwige wet hanteert strengere maatstaven dan de tijdelijke wetten. Dat blijkt ook uit het feit dat de eeuwige wet ook de achterliggende drijfveren beoordeelt. Jezus’ onderwijs in de Bergrede is hiervan de beste illustratie: niet alleen overspel is strafbaar maar zelfs het kijken naar en het begeren van de man of vrouw van een ander.

Uit deze scenario’s blijkt dat tijdelijke wetten nooit het hoge niveau van gerechtigheid van de eeuwige wet kunnen halen. Het is echter wel de opdracht van de wetgever dit niveau zo veel mogelijk te benaderen. Augustinus formuleert de volgende taakomschrijving van de wetgever: “De maker van aardse wetten raadpleegt, zo hij een goed en wijs man is, die eeuwige wet, over welke te oordelen aan geen ziel gegeven is: volgens haar onveranderlijke regels onderscheidt hij dan, wat op dit ogenblik geboden en wat verboden moet worden.”[4] Een goede wetgever is dus niet zozeer iemand die over specialistische vakkennis beschikt, maar iemand met inzicht in de principes van de eeuwige wet. Inzicht hangt volgens Augustinus samen met vroomheid. Alleen iemand die leeft uit Gods genade kan de kwaliteiten ontwikkelen waarmee de kennis van de eeuwige wet wordt verworven. De staat is daarom het beste af wanneer gelovigen regeren.[5]

 

Conclusie

De scheiding tussen tijdelijkheid en eeuwigheid blijkt op twee manieren vruchtbaar te zijn voor het denken over politiek. Allereerst ontstaat daardoor een scheiding tussen de aardse en de hemelse stad. Voor de aardse vrede gelden andere regels dan voor de hemelse vrede. Daarom kunnen gelovigen samen optrekken met ongelovigen om de aardse vrede te bewerkstelligen en te bewaren. Een tweede winstpunt is het onderscheid tussen de eeuwige wet en de tijdelijke wetten. De eeuwige wet bevindt zich hoger in de hiërarchie. Haar principes moeten bij het wetgevingsproces als uitgangspunt dienen. Vanwege hun kennis van die principes zijn gelovigen bij uitstek geschikt om de staat te leiden.

Deze twee conclusies lijken strijdig met elkaar. Immers, hoe kunnen gelovigen en ongelovigen eendrachtig hetzelfde doel nastreven als ze niet beiden uitgaan van de eeuwige wet? Toch is hier sprake van een schijntegenstelling. Augustinus benadrukt het feit dat alle mensen in vrede willen leven. Die vrede kan op verschillende manieren worden nagestreefd. De eeuwige wet is geen wetboek dat pasklare antwoorden biedt. Steeds moeten haar principes in concrete wetten worden omgezet. Christenen doen dat vanuit een open bijbel en een vaste overtuiging, waardoor de rechtvaardigheid van de wetten in veel gevallen is gewaarborgd. Niet in alle gevallen, want ook christenen hebben een beperkt inzicht. Niet-christenen streven de vrede na vanuit andere idealen. De uitkomst zal niettemin in veel gevallen hetzelfde zijn. De aardse vrede staat immers niet gelijk aan de hemelse vrede. Zij gaat niet over het behoud van de mens en het eeuwige leven, maar over het harmonieus samenleven in het tijdelijke bestaan. De stelling over de geschiktheid van christenen heeft daarom meer het karakter van een oproep. Met de woorden van Salomo: “Door gebrek aan visie gaat het volk ten onder, een keur van raadgevers brengt het tot bloei.” (Spreuken 11,14).

 

 

Mr.drs. M.L. Ruiter is jurist en econoom en schreef een rechtsfilosofische scriptie getiteld De wet en het goede leven. De visie van Augustinus op de mens, het recht en de ethiek.



[1] Aurelius Augustinus, De stad van God [De civitate Dei], Amsterdam: Ambo 2002 (vertaald en ingeleid door Gerard Wijdeveld).

[2] Augustinus, De stad van God, XXII,22.

[3] Augustinus, Over de vrije wilskeuze [De libero arbitrio], Baarn: Ambo 1994 (vertaald en ingeleid door Olav J.L. Albers), I,XV,32.

[4] Augustinus, Over den waren godsdienst [De vera religione], Amsterdam: De Spieghel 1937 (vertaald door Gerard Wijdeveld), p. 75.

[5] Zie Augustinus, De stad van God, V,19: “Als degenen die de ware vroomheid hebben gekregen en daardoor goed leven, de kunst verstaan om volken te besturen, dan bestaat er voor het mensdom geen groter geluk dan dat door Gods barmhartigheid zij de macht in handen hebben.”