Verheugd met de jeugd?

Verheugd met de jeugd?

 

Door Corine Dijkstra, beleidsmedewerker bij de VNG, voormalig adviseur raads- en statenleden bij de ChristenUnie

 

De laatste jaren is er in ons land meer toenadering tussen de vanouds gescheiden circuits van het jeugdbeleid en het onderwijsbeleid. Dat is een goede ontwikkeling. Belangrijk daarbij is dat aan een geïntegreerde visie op beiden, een positiebepaling voorafgaat: welke rolverdeling willen we in ons land tussen de (lokale) overheid, de scholen en de ouders als het gaat om de jeugd? De grilligheid van het recente beleid op het gebied van kinderopvang en de gevolgen daarvan voor de positie van de gemeenten, zijn het resultaat van een gebrek aan een consistente visie op deze verantwoordelijkheidsverdeling.

 

 

Steeds weer blijkt de wens om in het jeugd- en onderwijsbeleid het kind centraal te stellen moeilijk vertaalbaar in beleid. De commotie rondom de kinderopvang maakte dit recent weer pijnlijk duidelijk. In oktober nam de Tweede Kamer de motie-Van Aartsen/Bos aan waarin wordt voorgesteld scholen de verantwoordelijkheid te geven voor het (laten) organiseren van voor- en naschoolse opvang in het schoolgebouw zelf of daarbuiten. Het kabinet vindt de motie een goede aanvulling op het huidige kabinetsbeleid en zal deze uitvoeren. Wie tot dat moment nog dacht dat dit beleid wellicht in het belang van het kind zou zijn (minder gesleep naar diverse voorzieningen) werd vervolgens door staatssecretaris van Hoof uit de droom geholpen. Deze stelde voor om bijstandmoeders in te zetten voor de kinderopvang en gaf daarmee aan het belang van kwaliteit in de kinderopvang nog nooit serieus te hebben genomen.

 

Het ministerie is inmiddels voortvarend aan de slag met het - van dergelijke boude uitspraken ontdane - voorstel. Moeilijkheid daarbij is dat een insteek op de verantwoordelijkheid van scholen voor kinderopvang schuurt met de ingezette visie. De Wet op de Kinderopvang, zelf nog een dreumes van één jaar, gaat - onterecht - uit van kinderopvang als arbeidsmarktinstrument. Zoveel mogelijk mensen moeten in de gelegenheid worden gesteld om te werken. Op het moment dat een school, conform de motie, kiest voor het organiseren van kinderopvang in het schoolgebouw, leg je deze pas geprivatiseerde taak bij een publiekrechtelijk lichaam of een stichtingsbestuur dat als taak heeft goed onderwijs te leveren. Een tegenstrijdige beweging. De indieners gaven immers niet de indruk de bedoeling te hebben de privatisering terug te draaien.

 

Geprivatiseerde kinderopvang

Voor gemeenten is het, sinds de kinderopvang geprivatiseerd is, niet makkelijker geworden om op lokaal niveau een consistent onderwijs- en jeugdbeleid te voeren, waarbij kinderopvang onderdeel is van een breed pakket van voorzieningen. De gemeente heeft sinds de Wet Kinderopvang immers nog een zeer beperkte rol. Zij heeft als taak om zorg te dragen voor het toezicht (op basis van een beleidsregel kwaliteit en uitgevoerd door de GGD) en de handhaving. Ook heeft de gemeente een taak in het betalen van het werkgeverdeel voor ouders, die in een reïntegratietraject naar arbeid zitten en voor de groep die op basis van sociaal-medische redenen gebruik moeten maken van de kinderopvang. De uitvoering van de kinderopvang wordt verder overgelaten aan marktpartijen. Zo is bijvoorbeeld de pedagogische opdracht van de kinderopvang in het huidige regime geen onderwerp van overleg tussen de gemeentelijke overheid en de uitvoerders. Op lokaal niveau wordt gewerkt aan samenwerking of samengaan van consultatiebureau, peuterspeelzalen, voorschoolse educatie, opvoedingsondersteuning, brede scholen en preventief jeugdbeleid. Het betrekken van de kinderopvang in dit kader (en wellicht straks breder in het kader van de WMO) zou weer een optie worden als het kind centraal komt te staan. Opvang van kinderen is niet louter een arbeidsmarktinstrument. Het gaat erom dat ouders goede opvoeders zijn, door zélf voor hun kinderen te zorgen of door een deel van de tijd anderen te laten zorgen. Opnieuw dus een pleidooi voor het door de ChristenUnie bepleitte kindgebonden budget. Dan zal het belang van kwaliteit ook zo vanzelfsprekend zijn, dat niemand meer voorstelt om niet opgeleide mensen te laten werken in de kinderopvang.

 

Huisvesting

De vraag is wat de rol van de gemeente wordt in het geval scholen in hun eigen gebouw opvang gaan aanbieden. Een denkbaar scenario is de  onderwijshuisvestingsgelden neer te leggen bij de schoolbesturen zodat deze in staat zijn zelf keuzes te maken op dit gebied. Dit sluit op zich goed aan bij de conclusie van het rapport over de harmonisatie van onderwijswetten: zo veel mogelijk bij de schoolbesturen neerleggen. Gebeurt dit niet, dan zullen schoolbesturen de kosten voor aanpassingen aan het schoolgebouw via de onderwijshuisvestingprocedure aanvragen bij de gemeente als “aanpassing in verband met eisen voortkomend uit de wet- en regelgeving”. Gemeenten wordt in dat geval vanuit Den Haag een kader opgelegd; als scholen ervoor kiezen zelf de opvang te organiseren, dan moet de gemeente de huisvesting regelen. Het lijkt in zo’n situatie voor een gemeente lastig om zo’n aanvraag af te wijzen. Hooguit kan er gewezen worden op het feit dat de wet geen verplichting bij het schoolbestuur neerlegt om de opvang binnen het gebouw te regelen; het blijft een schoolbestuurlijke keuze. Daarnaast is het voor de VNG zaak om het Rijk te wijzen op de financiële compensatie (artikel 2 financiële verhoudingenwet) wanneer het die kant op dreigt te gaan.

 

Doordecentralisatie en maatschappelijk vastgoed

Het overhevelen van onderwijshuisvestingsgelden naar de schoolbesturen is echter in discussie. In sommige gemeenten hebben schoolbesturen reeds volledig de zeggenschap over de huisvesting. Binnen gemeenten heeft het accommodatiebeleid de laatste jaren juist veel aandacht gekregen. Sinds in 1997 de verantwoordelijkheid voor de huisvesting in het primair en voorgezet onderwijs in handen van de gemeenten is neergelegd, is bij hen het besef ontstaan dat er op het terrein van het bredere accommodatiebeleid binnen welzijn en onderwijs veel meer mogelijk is. Met de scholen is er nogal wat vastgoed op de begroting van de gemeente neergestreken. Doordecentralisatie van onderwijshuisvestingsgelden zou dergelijke uitdagingen bemoeilijken.
Een samenwerking tussen verschillende voorzieningen binnen de gemeente door de introductie van brede scholen was zonder decentralisatie naar gemeenten toe niet mogelijk geweest. Nederland telt inmiddels zo’n 600 brede scholen en de doelstelling van het kabinet is om dit tot 1200 uit te breiden de komende jaren. Ten aanzien van de brede school zien we dat veel ChristenUnie-fracties hun vrees rondom dit fenomeen hebben verruild voor enthousiasme. Natuurlijk blijft de ChristenUnie bezwaren houden tegen het inzetten van de brede school puur als organisatiemodel zodat ouders aan het arbeidproces kunnen deelnemen. De praktijk is echter dat kinderen gebaat zijn bij een goede afstemming van voorzieningen.

Binnen de diverse maatschappelijke domeinen als onderwijs, sport, zorg cultuur en welzijn is gemeentelijk beleid ten aanzien van de huisvesting ( en materiele exploitatie) van voorzieningen vereist. Het voeren van een goed accommodatiebeleid is daarom van groot belang. Gemeenten hebben bovendien een integrale verantwoordelijkheid gekregen voor het ontwikkelen van een sluitende aanpak voor 0 tot 6 jarigen. Belangrijk item daarbij is het creëren van het noodzakelijke en bereikbare voorzieningenniveau. Ook zal de herziening van het bibliotheek wezen leiden tot gevolgen voor het accommodatiebeleid. Het zo efficiënt mogelijk huisvesten van de diverse functies en het optimaal beheren en exploiteren van diverse accommodaties is een must. Met doordecentralisatie van verantwoordelijkheid voor onderwijshuisvesting naar schoolbesturen verliezen gemeenten hun grip op het maatschappelijk vastgoed. Een optimale inzet hiervan draagt bij aan de leefbaarheid van de gemeente; bij stedelijke vernieuwing speelt de inzet van maatschappelijk vastgoed een rol bij de sociale herovering van stadwijken; vitalisering van het platteland vraagt vaak om behoud of uitbreiding van het sociale voorzieningenniveau. En op het niveau van de buurt of wijk kan een multifunctionele accommodatie waar bijvoorbeeld ouders en kinderen, leerlingen, sportbeoefenaars en bezoekers van kunst en cultuur elkaar treffen uitgroeien tot het hart van de buurt.

 

Visie op verantwoordelijkheden

De recente ontwikkelingen op het gebied van de opvang van kinderen getuigen van een eenzijdige kijk op het belang van kinderopvang. Was de privatisering van de opvang in 2005 al puur ingegeven vanuit arbeidsmarktoverwegingen, de motie Aartsen/Bos doet daar, zonder de consequenties goed te overzien, nog eens een schep bovenop.

Willen gemeenten hun jeugd- en onderwijsbeleid goed op elkaar af kunnen stemmen dan is daartoe grip nodig op de kinderopvang. Daarnaast brengt een eventuele doordecentralisatie van huisvestingsgelden naar schoolbesturen een functioneel accommodatiebeleid niet dichterbij.