Solidariteit is ook een kwestie van moraal

SOLIDARITEIT IS EEN OOK KWESTIE VAN MORAAL

 

Door dr. Ronald van Raak, lid van de Eerste Kamer en hoofd van het Wetenschappelijk Bureau van de SP

 

Links in Nederland omarmt de vrijheid. Wouter Bos schrijft in zijn boek Dit land kan zoveel beter (2006) dat zijn partij te veel de Partij van de Gelijkheid was geworden, ‘terwijl ik vond en vind dat de PvdA de kampioen van de vrijheid moet zijn’. Femke Halsema omarmt in ‘Een linkse lente’, haar bijdrage aan de bundel Vrijheid als ideaal (2005) van het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks, het ideaal van een ‘vrijzinnige Nederlandse samenleving’. De keuze van deze linkse leiders voor individuele vrijheid gaat gepaard met kritiek op de georganiseerde solidariteit.

 

Bos neemt in zijn boek afscheid van de sociaal-democratische opvatting van gelijkwaardigheid: naar zijn opvatting kun je alleen solidariteit vragen van mensen als zij daar ook direct baat bij hebben. Mensen met een hoog en middeninkomen, die relatief veel betalen aan zorg en sociale zekerheid, moeten volgens hem ook veel profiteren, anders zullen zij niet bereid zijn om te betalen voor de zwakkeren.

Halsema gaat nog een stap verder als zij haar zorgen uitspreekt over het ‘toenemende staatspaternalisme’ en de ‘bevoogdende staatsarrangementen’ van de huidige verzorgingsstaat. Die kweekt naar haar opvatting ‘afhankelijkheid en inactiviteit’ en doet te weinig een beroep op het eigen sociale engagement van mensen.

 

Dat politieke leiders een ideologisch stempel willen drukken op hun partij is heel begrijpelijk, maar de politieke koers die Bos en Halsema kiezen heeft mij toch erg verwonderd. Veel burgers hebben op dit moment meer vrijheid dan hun lief is, als zij moeten kiezen voor een energieleverancier of een zorgverzekeraar. Een grote meerderheid van de Nederlanders maakt zich veel meer zorgen dat in de toekomst collectieve sociale voorzieningen worden afgebroken en de tweedeling in de samenleving verder zal toenemen, zo tonen het Sociaal en Cultureel Rapport 2004 en de Armoedemonitor 2005. Op hetzelfde moment dat de armoede in Nederland groeit en steeds meer mensen afhankelijk worden van voedselbanken en andere charitatieve instellingen lijkt bij mijn linkse collega’s de idee van solidariteit uit de mode geraakt.

Ik was dan ook blij om te lezen dat de discussie over solidariteit binnen de ChristenUnie wél wordt voortgezet. In Over de schutting. Op weg naar nieuwe solidariteit (2005), dat verscheen op initiatief van onder meer het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie, laten een aantal christelijk geïnspireerde denkers hun gedachten gaan over de toekomst van de verzorgingsstaat, waarbij onder meer de gezondheidszorg, de WMO en de AOW en de rol van ondernemers, kerken en stadsbuurten aan bod komen. Wat mij vooral aanspreekt is dat de meeste auteurs solidariteit niet alleen zien als een economisch probleem, maar vooral als een morele opdracht.

 

Christelijke solidariteit

Over de schutting is een antwoord op het sociale beleid van de kabinetten van Balkenende. De premier wil af van de huidige verzorgingsstaat en kiest voor een ‘participatiemaatschappij’, waar een groter beroep wordt gedaan op de eigen verantwoordelijkheid. In de inleidende verkenning spreekt Roel Kuiper van een ‘kanteling’ van de verzorgingsstaat, waarbij collectieve arrangementen worden beperkt en meer eigen initiatief wordt verwacht van burgers en maatschappelijke organisaties. Hij noemt nadrukkelijk de kritiek op de huidige verzorgingsstaat, die te duur zou zijn en de stimulans tot onderlinge solidariteit in de samenleving zou verzwakken. Het christelijk-sociale denken - bijvoorbeeld de opvatting van de soevereiniteit in eigen kring - legt immers ook een verantwoordelijkheid bij instituties als kerk en gezin en niet in de laatste plaats bij het individu. Maar Kuiper benoemt tevens de problemen die voortkomen uit de sociale hervormingen van het kabinet. In een christelijke visie behoort de overheid ook altijd een schild te zijn voor de zwakken, terwijl nu steeds meer mensen buiten de boot dreigen te vallen. Een overheid die haar verantwoordelijkheid voor de sociale zekerheid over de schutting gooit ondermijnt bovendien het gevoel van saamhorigheid in de samenleving. Kuiper vraagt zich ten slotte af of het kabinet niet veel meer veerkracht vraagt, van familie, buren en vrijwilligers, dan op dit moment in de samenleving aanwezig is.

In de slotbeschouwing bij het boek sommen Roel Kuiper en Cors Visser enkele redenen op waarom onze samenleving zo slecht is voorbereid op de voorgestane participatiemaatschappij. Hervormingen worden door Balkenende c.s. vooral met economische argumenten gelegitimeerd, terwijl een heldere visie op de toekomst van zorg en zekerheid ontbreekt. Onzekerheid is er over de eigen verantwoordelijkheid van de overheid: moet sociale zekerheid een kwestie worden van individuele verzekeringen, of blijft er ruimte voor collectieve arrangementen? Ligt bij de hervormingen de nadruk op de betaalbaarheid van de verzorgingsstaat, of op de behoefte om voor iedereen een gelijkwaardige vorm van sociale zekerheid overeind te houden? Welke taken moeten in handen blijven van professionals? En welke kunnen worden overgelaten aan vrijwilligers? Wat wordt de nieuwe rol van charitatieve instellingen? Dit heeft ook geleid tot onzekerheid in de samenleving: hervormingen in de zorg en de sociale zekerheid worden zonder instemming of debat over de burgers uitgestrooid. Kuiper en Visser merken terecht op dat van een ‘participatiemaatschappij’ geen sprake kan zijn, als de overheid niet de discussie aangaat, maar al op voorhand de consequenties van sociale hervormingen voor de burgers bepaalt.

 

Linkse solidariteit?

Solidariteit is één van de drie kernwaarden van de SP, naast menselijke waardigheid en de gelijkwaardigheid van mensen. Dit zijn waarden die in vele eeuwen zijn uitgekristalliseerd en naar onze opvatting wezenlijk zijn voor de menselijke beschaving. Het beginselenprogramma Heel de mens is voor de SP geen academische aangelegenheid, maar een praktische meetlat waarmee vertegenwoordigers van de partij actuele politieke ontwikkelingen beoordelen. De idee van menselijke waardigheid vraagt om bestaanszekerheid, op een niveau dat voldoende is om in onze samenleving te kunnen functioneren. Dit betekent bijvoorbeeld dat kinderen niet alleen voldoende te eten moeten hebben en naar school moeten gaan, maar ook dat zij kunnen beschikken over een computer en kleding kunnen dragen die op straat wordt geaccepteerd. We zijn allemaal verschillend in onze sociale en intellectuele mogelijkheden. In onze samenleving, waarin het marktdenken zo dominant is geworden, wordt concurrentie tussen ongelijke mensen aangemoedigd, waardoor de onderlinge verschillen verder toenemen. Daarom is georganiseerde solidariteit nodig, door politieke partijen en vakbonden, maar ook door de overheid als financiële herverdeler en sociale wetgever, om iedereen een gelijkwaardige kans te geven in het streven naar een gelukkig leven.

Deze opvatting van solidariteit wordt door Bos afgedaan als ouderwets socialisme en door Halsema zelfs als staatspaternalisme. Hun alternatieven zijn echter weinig overtuigend. Bos ziet Nederland als een maatschappij van ‘zelfredzame en geëmancipeerde’ burgers en lijkt de ogen te sluiten voor de snel groeiende onderklasse van armen en kanslozen. Hij is bijvoorbeeld tegen een extra bijdrage door rijke AOW-ers als middel om bezuinigingen op deze oudedagvoorziening te voorkomen en lijkt evenmin bereid om het zorgstelsel meer inkomensafhankelijk te maken. Halsema stelt dat we afscheid moeten nemen van de ‘verstatelijking van de solidariteit’ en de sociale zekerheid moeten aanpassen aan onze geïndividualiseerde samenleving, bijvoorbeeld door een flexibeler ontslagrecht voor ondernemers en een kleinere rol voor vakbonden in de CAO-onderhandelingen. Deze linkse leiders lijken eveneens te kiezen voor een vorm van participatiemaatschappij, die is toegeschreven op de electoraal interessante middenklassen. Zij lijken afscheid te nemen van de solidaire opvatting van sociale zekerheid, waarbij mensen worden ondersteund naar noden en bijdragen naar vermogen.

Wat mij echter vooral opvalt, is dat de discussie over de toekomst van zorg en zekerheid binnen PvdA en GroenLinks vooral in economische termen wordt gevoerd, waarbij veel aandacht is voor draagkracht en betaalbaarheid. Zelden hoor ik leiders in deze partijen spreken over het belang van georganiseerde solidariteit als een middel om de saamhorigheid in de samenleving te bevorderen of om recht te doen aan een maatschappelijke behoefte aan naastenliefde. Hier ligt wellicht een mooie taak voor ChristenUnie en SP, om te blijven uitdragen dat solidariteit ook een kwestie is van moraal.