Perspectief op een participatiemaatschappij

Perspectief op een participatiemaatschappij

 

Door Hans Freije

 

Huib Klamer, Guusje Dolsma en Jan-Willem van den Braak

Perspectief op een participatiemaatschappij. Op weg naar een duurzaam sociaal stelsel

Koninklijke van Gorcum, Assen, 2005, 110 p., € 17,90

ISBN 90 232 4177 0

 

Perspectief?

De titel van dit boek suggereert een vergezicht, een perspectief dat nog ver(der) weg is. Maar de werkelijkheid is anders, want de participatiemaatschappij is al gestart. De verantwoordelijkheid is op diverse terreinen al teruggegeven aan de burgers. Op individuele behoeften toegesneden producten als levensloopsparen en levensloopregeling zijn tot op de pinautomaat terug te vinden. Het meest recente voorbeeld is ‘ons’ nieuwe zorgstelsel, waar bovenop het basisniveau de keuze bestaat uit veel plusvarianten.

 

De subtitel van het boek “Op weg naar een duurzaam sociaal stelsel” suggereert dat er nu geen sprake is van een duurzaam sociaal stelsel. De auteurs bedoelen daarmee dat de regelgeving van de verzorgingsstaat niet langer houdbaar is, en er een nieuw stelsel van sociale zekerheid dient te komen. Waarom een nieuw stelsel, waarom een participatiemaatschappij? De auteurs zijn daar heel kort in (in hoofdstuk 2); namelijk om van Europa een concurrerende economie te maken. Een economie waar ex-premier Wim Kok eind 2003 voorstellen voor heeft gedaan. De auteurs zijn allen verbonden aan werkgeversorganisatie VNO-NCW. Deze uitgave is een uitwerking van een in 2005 door de stichting NCW georganiseerde Bilderbergconferentie.

 

Het principe participatie

Om de draad niet kwijt te raken wordt eerst een aantal principes voor het stelsel van sociale zekerheid uitgelegd. Participatie is zo’n principe en wordt toegelicht met “Een samenleving kan alleen functioneren als de leden participeren en meewerken aan haar welvaart en welzijn (…) Iedereen doet dit in overeenstemming met de mogelijkheden en de talenten die hij/zij heeft”. Verder is het “een kwestie van goed burgerschap” (p.11). Dit komt neer op het “leveren van een productieve maatschappelijke bijdrage”. Dat houdt niet alleen het “voorzien in een eigen inkomen” in, maar ook “zorg voor de directe naasten en bijvoorbeeld vrijwilligerswerk” (p.12). Volgens de auteurs vindt participatie plaats volgens het beginsel van wederkerigheid: je pleegt inzet, omdat je ziet dat anderen ook inzet plegen. Zelf heb ik de neiging om bij de werking hiervan een vraagteken te plaatsen. In ieder geval als het om een zo algemeen geformuleerd uitgangspunt gaat. Straks daarover meer.

 

Andere principes toegelicht

De auteurs hebben zich stevig ingelezen in het principe participatie. Ook drie andere principes, van toepassing op het formuleren van een nieuw stelsel van sociale zekerheid, worden besproken. Deze zijn: solidariteit, subsidiariteit en zelfredzaamheid. In dit kader gaat het te ver om ook op deze drie andere principes dieper in te gaan. Wel wint het begrip subsidiariteit in de rest van het boekje steeds meer aan belang. Daarom toch even de betekenis genoemd. Hier wordt het uitgelegd als de mate en de wijze van de verdeling van de verantwoordelijkheid. De schrijvers kleuren dit principe verder in met `neerleggen van verantwoordelijkheid op het meest passend niveau, waarbij de persoonlijke verantwoordelijkheid wordt benadrukt´. Een verantwoordelijkheid die eerder bij belangenorganisaties en andere maatschappelijk betrokkenen heeft gelegen, maar vooral vanaf de jaren ´60 sterk door de overheid is bepaald, o.a. met de oprichting van allerlei instituten.

 

Waarom een participatiemaatschappij?

De aanleiding om over te gaan op een participatiemaatschappij wordt uitvoerig toegelicht. En is vanuit het perspectief van VNO-NCW ook goed voorstelbaar. De auteurs maken vooral een punt van het aanbod aan arbeidskrachten. Vanwege de toenemende vergrijzing en een aantrekkende economie wordt gevreesd voor een arbeidstekort, zeker voor een aantal branches. Dit leidt tot een ongewenste loonontwikkeling, die geen pas houdt met de vergroting van de arbeidsproductiviteit. Met andere woorden: de Nederlandse economie zal minder concurrerend zijn. Daarom een warm pleidooi voor langere werkweken, een langer arbeidzaam leven met een pensioengerechtigde leeftijd van 67 jaar en meer te maken uren door part-timers (p.26). Het onderwijs wordt in dit verband ook een belangrijke rol toegedacht (p.27).

 

Verder worden veel maatregelen, die de contouren vormen voor de participatiemaatschappij, genoemd. Veel van deze maatregelen zijn terug te voeren tot een beter functioneren van de arbeidsmarkt zoals het versoepelen van het ontslagrecht, het verlagen van het minimumloon, het vergroten van de employability van werknemers (een levenlang leren), meer flexibele openingstijden kinderdagopvang, meer nadruk op reïntegratie, meer ruimte voor ondernemende onderwijsinstellingen, groter aandeel van het Rijk in de bekostiging van de AOW, invoering vlaktax, etc.etc.

 

Wat nodig  voor een participatiemaatschappij?

Voorop staat volgens de schrijvers dat er voldoende draagvlak moet zijn voor een participatiemaatschappij, dat er een ´sense of urgency´ moet zijn om zaken werkelijk te veranderen. In dat verband wordt van een mentaliteitsverandering gesproken. Immers uit onderzoek blijkt dat Nederlanders de verzorgingsstaat in hoge mate wensen voort te zetten. Maar de auteurs maken duidelijk dat van een belangrijk principe van de verzorgingsstaat, te weten de solidariteit, de grenzen steeds nauwer worden. In het boekje wordt verwezen naar een afnemende solidariteit tussen ouderen en jongeren die aan de orde kwam bij het vervangen van de prepensioenregelingen in 2004.

 

Betrokkenen verantwoordelijk maken voor regelingen geldt ook voor ondernemers. Een voorbeeld hiervan is het terugdringen van arbeidsverzuim. Het laatste hoofdstuk bevat een aantal vervolgsuggesties voor ondernemers. Een stevige lans wordt gebroken om veel op het individuele niveau, dat wil zeggen per onderneming, te regelen. Ook wordt voorgesteld om verlofrechten niet meer per CAO af te spreken, maar deze te verwerken als werkgeversbijdrage in een levensloopregeling.

 

Is deze participatiemaatschappij realistisch?

Voor mij is deze beschrijving van een participatiemaatschappij niet realistisch. Twee informatiebronnen onderstrepen dit. De eerste is een notitie van het Sociaal Cultureel Planbureau uit 2005[1] dat stelt dat ‘bij ca. 10 procent van de bevolking sprake is van sociale uitsluiting. Hiertoe behoren o.a.: oudere alleenstaanden, eenoudergezinnen en allochtone huishoudens. Bij hen bestaat een grote kans dat basale levensbehoeftes zoals een dagelijkse warme maaltijd niet meer kunnen worden vervuld. Daarnaast bevinden zij zich in een beperkt sociaal netwerk en hebben problemen op het gebied van zorg, huisvesting en onderwijs terwijl hun gezondheid en welbevinden op een relatief laag niveau liggen´. 

De andere informatiebron tempert verder de euforie over de participatiemaatschappij. Het betreft de woorden van Prof. Ester, directeur van de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek[2] die stelt dat ´een groot deel van de beroepsbevolking een lagere of middelbare opleiding heeft genoten. Een visie om vroegtijdig zelf keuzes te maken, bijvoorbeeld vanuit het besef van zelfredzaamheid, lijkt bij een belangrijk deel van de bevolking afwezig. Er wordt vanuit gegaan dat mensen min of meer een toekomstproject kiezen, terwijl veel jongeren ‘leven bij de dag’ en het liefst alle opties open houden. Nu is er een beweging terug en worden verantwoordelijkheden teruggelegd bij sociale verbanden en mensen zelf´.

 

Overige kanttekeningen

Voor ondergetekende is de participatiemaatschappij zoals hier voorgesteld een brug te ver. De verantwoordelijkheid wordt opportunistisch neergelegd bij de partijen die gelden als direct betrokkenen. Een liberale vorm van de maakbare samenleving. Te zwaar worden de negatieve elementen van de verzorgingsstaat aangehaald. En veel regelingen, gericht op bescherming van bepaalde zaken, lijken te worden opgeofferd aan ´de flexibilisering van de arbeidsmarkt´. Of aan de wederkerige werking in een participatiemaatschappij. De veel mondiger en bewuste burger is in het ideale geval zich bewust van de maatschappelijke verantwoordelijkheid, maar heeft geen overzicht van de urgentie om een bepaalde verantwoordelijkheid in te vullen. Zoals die van de stille armoede. Verder gaat het boekje geheel voorbij aan de toenemende individualisering, het geringer worden van de gemeenschapszin. Ook de zorg t.a.v. het arbeidsaanbod lijkt overdreven. Immers, de praktijk bewijst dat het aanbod aan arbeidskrachten steeds meer ´Europees´ dan nationaal wordt bepaald, zeker in een verenigd Europa met ruim 20 lidstaten.

 

 

 

 

 

 



[1] Sociaal en Cultureel Planbureau (2005): Toekomst arbeidsmarkt en sociale zekerheid, notitie voor de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer.

[2] Prof. Peter Ester, directeur OSA (Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek’), in de Volkskrant van 18 augustus 2004.