Democratische vermoeidheid

Democratische vermoeidheid

Door Geert Jan Spijker


Begin maart kreeg ik een folder in de bus van de G1000, waarop stond: "Op zaterdag 22 maart 2014 gebeurt het. Dan komen 1000 inwoners van Amersfoort samen en gaan aan het werk. Eén dag lang. Een bruisende dag. Vol ideeën, dromen, meningen en standpunten." Huh? Hebben we dan niet net verkiezingen gehad? Is de beurt van de burger na 19 maart niet voorbij? De politiek is nu toch weer aan zet? Volgens de G1000-gedachte niet: democratie is meer dan verkiezingen, sterker nog, verkiezingen zijn helemaal niet zo democratisch als we allemaal denken!

Een van de initiatiefnemers van de G1000-beweging is de Belgische schrijver David van Reybrouck. Eerder schreef hij onder meer het bekroonde Congo. Een geschiedenis, de laatste tijd stort hij zich op de democratie. Eerst verscheen Pleidooi voor populisme en nu is daar Tegen verkiezingen. Van Reybrouck's grote zorgen over de politiek - "hoeveel schampere blikken kan een bestel aan?" (12) - spatten van de bladzijden af en dat maakt het boek tot een echte pageturner. Knap en beknopt analyseert hij de malaise van de democratie, en hij komt ook nog met een uitweg.


DEMOCRATISCH VERMOEIDHEIDSSYNDROOM
Democratie is volgens de auteur de minst slechte regeringsvorm: het komt tegemoet aan zowel daadkracht als draagvlak voor oplossingen van maatschappelijke vraagstukken. Helaas zijn beide onderdelen van de westerse democratie in crisis. Er stemmen steeds minder mensen, er zijn nog weinig lid van politieke partijen en regeringspartijen worden steeds zwaarder afgerekend. Besturen gaat daarnaast steeds trager, vooral door internationalisering (een probleem als klimaatverandering los je niet op als nationale regering). Machteloosheid is het codewoord. Wat maakt 'mijn stem' dan uit? Tot slot is er nog de medialogica die ervoor zorgt dat de waan van de dag heerst. Incidenten maken dat de democratie tandelozer is geworden, maar ook luidruchtiger. En de burger? Die wordt moe van al die opgefokte en doorzichtige hysterie: het "Democratisch Vermoeidheidssyndroom" (22).

Van Reybrouck beschrijft verschillende oplossingen (populisme, technocratie, antiparlementarisme), maar concludeert dat die niet voldoen, zelfs gevaarlijk zijn: "populisme is gevaarlijk voor de minderheid, technocratie is gevaarlijk voor de meerheid, en antiparlementarisme is gevaarlijk voor de vrijheid." (38) In zijn ogen is de representatieve democratie als zodanig niet het probleem, wel de electorale variant ervan: de verkiezingen zijn de grote boosdoener, we zijn “electorale fundamentalisten geworden. Wij minachten de gekozenen, maar aanbidden de verkiezingen."(41) We moeten oppassen voor een dictatuur van verkiezingen, aldus de auteur (58).


OMKERING VAN DE GESCHIEDENIS
In het voetspoor van de Franse politicoloog Bernard Manin zoekt hij hoe dit zo gekomen is. Wat blijkt: na de Amerikaanse en Franse Revolutie werd bewust gekozen voor verkiezingen om zo de democratie buiten de deur te houden. De elite wilde de touwtjes in handen houden juist door verkiezingen te houden. Het volk zorgt maar voor gedoe, voor chaos. Men introduceert een kwalitatief onderscheid tussen bestuurders en bestuurden: we moeten door de besten geregeerd worden (Burke). De gewone man in de straat mag stemmen, maar niet besturen. De erfelijke aristocratie van voor de revolutie werd vervangen door gekozen aristocratie. (88) Hoezo volkssoevereniteit? De ontwikkeling van de democratie bleef beperkt tot uitbreiding van stemrecht. "De stembusgang werd het dienstliftje dat enkelingen naar boven bracht."

Hoe was het dan voor de revoluties? In het oude Griekenland werd veel gebruik gemaakt van loting. Gelote burgers zaten daar in het centrum van de macht (64). De snelle wisseling van mandaten zorgde voor een zeer ruime participatie van burgers (meer dan de helft deed mee). Ook ten tijde van Renaissance en Verlichting was loten de normaalste zaak van de wereld en werd het democratischer geacht dan verkiezingen. Tot de Franse revolutie dus. De revolutieleiders wilden geen loting omdat ze geen democratie (lees: geen machtsverlies) wilden. Vanaf die tijd kreeg loting een steeds slechtere naam, vooral bij lagere klasse nota bene. "Wat een omkering van de geschiedenis!", treurt Van Reybrouck (98).


NEDERLAND ALS ARISTOCRATIE
Kennelijk leven wij dus momenteel eerder in een aristocratie dan in een democratie. De auteur: "Democratie is niet het bestuur van de besten in onze samenleving; zoiets heet een aristocratie, ook al is die gekozen. Men kan daarvoor kiezen, maar laat ons dan meteen de naamgeving aanpassen. Democratie, daarentegen, gedijt juist door een diversiteit aan stemmen aan het woord te laten. Het gaat om gelijke zeggenschap, om het gelijke recht 'om politiek handelen te bepalen'[.]" (141)

Om de democratie uit het diepe dal te halen bepleit Van Reybrouck een revival van het fenomeen loting. Loten zorgt voor brede deelname aan het bestuur, en bevordert het onpartijdig nastreven van het algemeen belang. De burger is immers niet op herkiezing uit. Het gaat om een meer deliberatieve democratie, waarin burgers meer kunnen meespreken, met elkaar en met experts. (Let wel, dit staat haaks op het referendum, wat juist onderbuikgevoelens en niet verlichte publieke opinie centraal zet.) Het mooie aan het deliberatieve proces is dat wederzijds vertrouwen groeit, het probleem is wel dat politiek en media er niet veel mee kunnen: politici uit angst voor burgers, media omdat al die trage processen weinig show opleveren.

Van Reybrouck zet zijn woorden kracht - en realiteitszin - bij door met een uitwerking te komen, compleet met panels en raden. Hij laat toont aan de hand van internationale ontwikkelingen (zoals in Nederland het Burgerforum) aan dat er heel concrete mogelijkheden liggen voor de toekomst. Tot besluit pleit hij ervoor dat we, in ieder geval op middellange termijn, toe moeten naar een volksvertegenwoordiging die door zowel stemming als door loting tot stand wordt gebracht. Beide hebben immers hun waarde: de een deskundigheid, de ander vrijheid.


OVERBELASTING DOOR DEMOCRATIE
Interessant om naast Van Reybrouck te lezen is de bundel Omstreden democratie, eenproduct van een groot NWO-onderzoeksprogramma. Centrale vraag is: hoe komt het dat burgers houden van democratie, maar zich afkeren van de politiek? De bundel bevat bijdragen over nieuwe en oude vormen van participatieve (niet-representatieve) democratie en invloed van media op politiek (‘het valt allemaal wel mee’). Ik sta kort stil bij de prikkelende bijdrage van de Rotterdamse rechtsfilosoof Gijs van Oenen. Hij zegt namelijk dat al dat gedelibereer – waar Van Reybrouck zo hartstochtelijk voor pleit - ons juist moe maakt. We lijden aan overbelasting door democratie. Weer een soort vermoeidheid dus, maar ditmaal een ander soort (207).

De afgelopen decennia dacht menigeen veel te optimistisch over de democratie: daarmee zullen we onze maatschappelijke problemen wel oplossen. Dat is naïef gedacht, aldus Van Oenen. Democratie legt ons ook een zware last op, een druk. Dat komt doordat burgers in een democratie medeauteurs zijn van de maatschappelijke regels en normen. Vroeger werden die door andere autoriteiten bepaald, nu door onszelf. Dat is een bevrijding, maar niet alleen. Het is ook een belasting. In de moderne samenleving moet iedereen voor zichzelf nadenken, moet iedereen meedoen. Democratie vraagt betrokkenheid bij de vaststelling van  maatschappelijke normen. Vanaf de jaren zeventig zijn burgers steeds meer betrokken bij allerlei besluitvorming. Er is volop deliberatieve democratie, met allerlei interactieve processen als raadpleging en inspraak.


INTERACTIEVE METAALMOEHEID
Wij hechten aan die betrokkenheid, maar voelen ons ook steeds minder in staat die op te brengen. Het is teveel van het goede. Volgens Van Oenen lijden wij aan ‘interactieve metaalmoeheid’. Dat is dus de keerzijde van de democratie: wij mogen zelf onze normen bepalen, maar dat mogen is inmiddels een 'moeten' geworden. Bovendien vinden we het moeilijk om consequent te handelen naar de normen die we onszelf voorschrijven. Soms hebben we iets van: ‘Nu even niet!’.

Het proces van interactiviteit wordt steeds meer tot doel op zichzelf, eerder dan formulering van bepaalde inhoudelijke doelen (256).  Dit levert - naast een overmaat aan beleid –  vermoeidheid op bij burgers: interactie is immers oneindig, nooit voldoende. Bovendien leidt het tot frustratie vanwege het vage compromiskarakter van uitkomsten. En omdat elke burger medeverantwoordelijk is voor alle regels en normen kan hij niemand anders de schuld geven. Van Oenen ziet populisme hier als uitvloeisel van: de status van geëmancipeerd burger, die over zijn eigen leven beslist, leidt niet tot oplossing van alle problemen, maar laat juist de last zwaarder drukken. Burgers die dit niet aankunnen zwichten voor de verleiding van een sterke leider die eenvoudige oplossingen belooft.


ARISTOTELES: POLITICA 
Ook bij Van Oenen blijkt dat het verhaal van de democratie niet slechts een lineair succesverhaal is. De bundel Omstreden democratie opent ook met die vaststelling. Democratie spreekt nooit vanzelf, is geen vaste verworvenheid, kent zijn ups en downs. Wie zegt dat de huidige eeuw geen autocratische eeuw wordt? Verval van democratie is altijd mogelijk, mede afhankelijk van de culturele ontwikkeling.

Dat zien we ook prachtig terug in de Politica van de Griekse wijsgeer Aristoteles (384-323 v.Chr.), die nu voor het eerst integraal is vertaald binnen het Nederlands taalgebied. (Een beetje laat natuurlijk, gezien het grote belang van dit geschrift voor de ontwikkeling van het politieke – ook christelijke - denken in het westen.) Het boek is niet eenvoudig leesbaar, geeft zijn geheimen niet gemakkelijk prijs.

Aristoteles was een realist, het ging hem vooral om wat lokaal haalbaar was. Over Carthago schreef hij bijvoorbeeld: "Een teken dat hun staatsinrichting goed in elkaar zit, is het feit dat het volk de staatsorde uit vrije wil trouw blijft, en er zich nooit enige opstand, die de moeite van het vermelden waard is, heeft voorgedaan of een tiran aan de macht is gekomen." (1272 b 30) 

Lezing van de Politica laat zien hoezeer wij allen door het liberalisme zijn beïnvloed. Wij denken bij de staat al snel in termen van rechten. De overheid moet onze vrije ruimte respecteren. Rechtvaardigheid is procedureel. Bij Aristoteles is de overheid altijd betrokken op het goede leven. Het doel van de staat  is burgers in staat stellen tot goed leven. Er moeten goede, deugdzame (dappere, beheerste) burgers gevormd worden, door opvoeding, maar ook door de staat. Bestuurders moeten oog hebben voor het goede leven van allen, het algemeen belang.


ZELFBESTUUR
Hoeveel mensen er dan aan de macht zijn is van minder belang. Of het er één is (monarchie), meerdere (aristocratie) of het hele volk, centraal staat: baat het de gemeenschap? Bestuurders moeten zich niet door eigenbelang of willekeur laten leiden. Het woord 'Democratie' gebruikt Aristoteles zeker niet altijd positief, ook het volk kan het algemeen belang uit het oog verliezen. Wel benadrukt hij het belang van zelfbestuur, typerend voor democratie: "een goed burger moet de kennis en capaciteit bezitten zowel om te regeren als om geregeerd te worden. Dit is namelijk waar burgerdeugd in bestaat, dat een burger met het regeren over vrije mensen van beide zijden bekend is." (1277 B 15) Een mens kan alleen dan goed leven leiden als hij als actief burger van een stadstaat leefde. En daarbij hoort regeren en geregeerd worden.

Het loten, waar Van Reybrouck zo op inzet, is bij Aristoteles een normaal verschijnsel. Hij kiest wel voor een mengvorm: naast het democratische loten laat hij ruimte voor het niet-democratische kiezen. Het gaat niet alleen om het volk, ook om wie het best in staat is besluiten te nemen en juist te oordelen. Maar betrokkenheid op de publieke zaak, op de zaken van de polis, is voor eenieder cruciaal.


DEMOCRATIE STELT HOGE EISEN
Regeren en geregeerd worden, de burger dichterbij het bestuur brengen: het klinkt mooi. Maar, om met Van Oenen te spreken, hoeveel democratie kan een mens aan? Democratie is een mooie verworvenheid: we mogen zelf meedenken, meepraten, meedoen met de publieke zaak. Er is geen koning of keizer meer die het allemaal topdown voor ons regelt – en dat zou ook niet meer in onze tijd passen. Maar we hebben ons wel heel wat op de hals gehaald met dit systeem. Democratie vergt veel van ons, stelt burgers hoge eisen wil ze functioneren. Democratie vraagt om besef van verantwoordelijkheid, om deugdzaamheid, oog voor meer dan korte termijn eigenbelangen. In een democratie kunnen we ons niet opstellen als klanten van het ‘overheidsbedrijf’, maar hebben wij als burgers verantwoordelijkheid te nemen. Nu maar hopen dat we er voldoende puf voor hebben.