Van christelijke democratie naar postchristelijke dictatuur? |

Van christelijke democratie naar postchristelijke dictatuur?

Van christelijke democratie naar postchristelijke dictatuur?
De onoplosbare crisis van de westerse democratie

Door Ad de Bruijne

In het najaar van 2013 schilderde PVV-voorman Geert Wilders zijn collega Alexander Pechtold van D66 af als “een zielig, miezerig en hypocriet mannetje”. Marcel ten Hooven wees er terecht op dat deze stijl van discussiëren op gespannen voet staat met de wijze waarop in een democratie het debat gevoerd moet worden.[1] Wilders is democratisch verkozen en beweegt zich in de formele kaders van de democratie, maar toch is zijn optreden in een bepaald opzicht ondemocratisch. In het spoor van die waarneming wil ik doordenken en de stelling verdedigen dat de verkeert en misschien zelfs stervende is. Het fenomeen Geert Wilders vormt van die crisis slechts één van de symptomen.


Een gevuld midden
Om die sombere claim te onderbouwen, ga ik eerst dieper in op de aard van de moderne democratie. Binnen de bezinning op het verschijnsel democratie wordt onderscheid gemaakt tussen formele en materiële democratie.[2] Formele democratie houdt in dat binnen een politieke samenleving geen religieuze, levensbeschouwelijke of ethische waarheid hoeft te gelden, die samenbindend werkt en door alle burgers en groeperingen moet worden onderschreven. Bij materiële democratie is wel sprake van zo’n gevuld midden. Bijvoorbeeld in landen met een staatskerk geldt een variant van de christelijke levensovertuiging als zo’n verbindend centrum.

Het is echter ook denkbaar dat een dergelijk midden niet officieel is vastgelegd, maar wel feitelijk functioneert. Zo kennen de Verenigde Staten van Amerika een strikte scheiding van kerk en staat, terwijl tegelijk van alle Amerikanen een min of meer religieus getint geloof in de rol en bestemming van Amerika zelf verwacht wordt. Dat geloof ligt bovendien vast in symbolen en rituelen, zoals de dagelijkse groet aan de vlag door scholieren. Bij formele democratie mag iedere burger en groepering in het publieke domein maximaal zichzelf zijn, ook in visie en praktijk. De enige grens die daaraan gesteld wordt, is die van de speelruimte van de wet. Materiële democratie leidt ertoe dat levensbeschouwelijke uitgangspunten zich in het publieke domein moeten schikken naar het door allen gedeelde midden. Voor wat daarvan afwijkt, is in beginsel geen plaats in het publieke domein.


Nederlands pluralisme
Nederland heeft – op het eerste gezicht - decennialang een vergaande vorm van formele democratie gekend. Het pluralistische of verzuilde bestel, grotendeels ontwikkeld dankzij de invloed van Abraham Kuyper, leidde ertoe dat alle levensbeschouwelijke tradities met gelijke rechten in het publieke domein mochten optreden.[3] Daarmee gepaard ging een bijpassende publieke houding van aanvaarding en respect. De gedachte was: hoezeer je ook met de ander van mening verschilt, je aanvaardt hem met zijn opvattingen als gelijkwaardige speler op het vlak van de politieke samenleving. De consequentie daarvan is dat je zijn opvattingen tolereert en daarmee in gesprek gaat op basis van argumenten.

Van belang is te beseffen dat de Nederlandse context uniek was, omdat zelfs het liberalisme door Abraham Kuyper gedwongen werd zichzelf te begrijpen als slechts één van de levensbeschouwelijke stromingen in de samenleving. Sinds de Verlichting pretendeert het liberalisme immers dat het algemeen-menselijk en algemeen-geldig is en staat ‘liberaal’ in de eigen optiek gelijk aan ‘democratisch’.


Einde formele democratie?
Vandaag beleven wij het ogenschijnlijke einde van het model van formele democratie. Enkele aspecten van het optreden van Wilders illustreren dit. Hij wil immers dat enkele uitgesproken levensbeschouwelijk getinte overtuigingen en praktijken in de samenleving niet ter discussie staan en door alleen gedeeld worden. Wie dat weigert, verdient geen of geen volwaardige plaats in de Nederlandse politieke samenleving. Daarbij denkt hij aan verworvenheden van de zogenaamde ‘Joods-christelijke-humanistische’ cultuurtraditie in een Nederlandse vorm: respect voor het individu, gelijkheid voor man en vrouw en voor homo en hetero, nadruk op Nederlandse taal en culturele eigenheden, kledinggewoonten en dergelijke. Wie wil deelnemen aan de Nederlandse politieke samenleving, wordt geacht zich binnen dit kader te voegen.

Nieuwe materiële democratie
Wie beter toekijkt, zal echter moeten toegeven dat er vandaag iets anders aan de hand is dan een verschuiving van formele naar materiële democratie. We moeten vaststellen dat er ook in het verleden nooit echt sprake was van formele democratie, ja zelfs dat formele democratie conceptueel onmogelijk is. Al van Augustinus kunnen wij leren dat geen enkele samenleving bestaat, zonder een gedeelde liefde die haar identiteit bepaalt.[4] Deze hoeft niet bewust en expliciet te zijn maar kan haar rol ook onherkend spelen. Zeker een democratische samenleving, waar ruimte voor pluraliteit groter is dan ooit, is niet denkbaar zonder een gedeeld midden van levensbeschouwelijke en morele overtuigingen en praktijken. Alleen al de enig resterende voorwaarde die het model van formele democratie bleek te stellen, namelijk dat allen binnen het kader van de wet blijven, illustreert dat.


Andere moraal, andere regelgeving
Het kader van de wet wordt namelijk altijd inhoudelijk mee gevuld door levensbeschouwelijke en morele overtuigingen, en kan in de loop van de tijd verschuiven. Wanneer de wet homoseksuelen gelijke rechten op het burgerlijk huwelijk toekent, ligt daarachter een verschuiving in de visie ten aanzien van de seksuele moraal. Het kader van de wet impliceert daarom per definitie een materiële dimensie in elk formeel concept van democratie.[5] Bovendien kan deze materiële dimensie ook in de praktijk worden aangewezen. Zij functioneerde in het publieke debat binnen een formele democratie. Ook tijdens de pluralistische en verzuilde fase die wij in Nederland achter ons hebben, was dit het geval, al werd dit gedeelde midden vaak niet bewust gekozen en geformuleerd. Daarom beleven wij vandaag niet zozeer een overgang tussen formele en materiële democratie maar is er eerder sprake van een verschuiving in de inhoud van de materiële levensvisie.

Van christelijk via cultuurchristelijk...
De vraag is vervolgens wat de aard van die verschuiving is. Daartoe moeten we eerst vaststellen waarin tot voor kort het verborgen gedeelde midden bestond van onze in naam formele democratie. Zonder dat hier helemaal te kunnen uitwerken, stel ik dat dit midden vanaf het ontstaan van de Nederlandse democratie in de negentiende eeuw, voor een belangrijk deel christelijk gevuld was. Om die stelling te illustreren wijs ik op het werk van Abraham Kuyper, één van de instigatoren van de verzuiling en daarmee van het model van formele democratie. Wie zijn Parlementaire Redevoeringen[6] bestudeert en de debatten overziet die in zijn dagen in het parlement zijn gevoerd, merkt hoe vanzelfsprekend hij, als parlementariër én als minister-president, Gods naam en christelijke overtuigingen naar voren kon brengen. Deze inbreng wordt door zijn collega’s niet slechts getolereerd, maar tot op zekere hoogte herkend en gedeeld. Kennelijk sloten de ingrijpende levensbeschouwelijke verschillen tussen christendemocraten, liberalen en socialisten destijds niet uit dat men het over centrale door het christelijk geloof gestempelde overtuigingen eens was.  De brede christelijke volkstraditie vormde een belangrijk bestanddeel van het materiële midden in een ogenschijnlijk formele democratie.

Ook uit Kuypers systematische bezinning wordt dat duidelijk.[7] Zoals bekend meent hij dat in de politieke sfeer alleen de algemene genade sturend kan zijn, en dat daar niet rechtstreeks vanuit Gods bijzondere openbaring gehandeld kan worden. Die algemene genade maakte het volgens hem mogelijk dat mensen uit verschillende levensbeschouwelijke tradities elkaar via argumenten konden bereiken en het  bovendien eens zouden zijn over enkele basale religieuze en ethische uitgangspunten, namelijk de publieke erkenning van God als hoogste soeverein, de wering van publieke godslastering en de handhaving van de publieke zondagsrust. Achteraf bezien moeten we vaststellen dat wat Kuyper beschouwde als vrucht van de algemene genade historisch bezien veel meer voortkomt uit de gedeelde christelijke traditie waarin in zijn dagen vrijwel iedereen nog stond. De formele democratie in Nederland bevatte dus in de decennia waarin zij ontstond, een door de christelijke waarheid gekleurde materiële kern.


...naar postchristelijk
In de eerste helft van de twintigste eeuw nam de secularisatie weliswaar toe, maar in een cultuurchristelijke gedaante bleef dit gevulde midden feitelijk bestaan. De publieke successen van de neocalvinistische zuil zorgden aanvankelijk zelfs voor een zekere versterking doordat de wetgeving christelijke accenten ging vertonen, met name rond zondagsrust en godslastering. Sinds de tweede helft van de twintigste eeuw doorbrak de razendsnelle dechristianisering  van de samenleving echter deze verborgen consensus. Intussen bleef het officiële model van formele democratie voortbestaan, maar daaronder groeide een pluraliteit, die het eerdere (verzwegen) gedeelde midden wegnam.

Deze pluraliteit kreeg daarbij een ander karakter dan in het vroegere verzuilde model. In de eerste plaats werd het spectrum van levensvisies wijder. Atheïsme werd van een minderheidspositie in de marge tot één van de dominante oriëntaties. De islam meldde zich als nieuwe stroming in de samenleving. Klassiek liberalisme en socialisme verloren hun cultuurchristelijke dimensie. In de tweede plaats verdween ook de levensbeschouwelijke oriëntatie zelf als organiserend beginsel voor het publieke domein. Er ontstond een individualistische variant van pluralisme die zich niet meer publiek laat organiseren langs levensbeschouwelijke lijnen. Mee daardoor is er sprake van een voortdurend zwenkend patroon van verbindingen, partijen en machtsverhoudingen.


Drie opties over
Menselijk gesproken zijn er vervolgens slechts drie mogelijkheden:

  1. Er wordt openlijk gekozen voor een nieuw gedeeld midden waarin iedereen zich moet voegen. Dat willen bijvoorbeeld diegenen die hun toevlucht zoeken bij een publiek beleden Joods-christelijke-humanistische traditie. Dat zou de islam in beginsel uitsluiten, maar ook lastig worden voor radicale laatmoderne denkers als de filosoof-ethicus Peter Singer, die juist meent dat de breuk met deze traditie een nieuwe sprong voorwaarts in de evolutie van de mensheid zal veroorzaken.
  2. Er groeit onder de oppervlakte een nieuw gedeeld midden waarin ieder lid van de samenleving feitelijk participeert. Afgezien van meer triviale collectieve verbindingen als sportfestijnen, koningshuis en publieke symbolen ligt dit momenteel niet erg voor de hand.
  3. De democratie raakt in een crisis en slaat vroeg of laat om in een vorm van dictatuur. Dit laatste kan langs meerdere routes gebeuren, waarvan de meest rechtstreekse die is van een gewelddadige greep naar de macht. Deze optie is momenteel niet waarschijnlijk. Het is echter ook denkbaar dat de democratie langs democratische weg zichzelf min of meer afschaft. Dat gebeurt wanneer het volk in meerderheid kiest voor leiders en wetten met een ondemocratische inslag. Dit is minder denkbeeldig, zoals de voorbeelden van het Duitsland van Hitler, het Egypte van Morsi en het Rusland van Poetin bewijzen. Zou Nederland in meerderheid op Wilders stemmen, dan wordt dit gevaar reëel.

 

Geen democratie zonder christelijke waarheid
Met de voorgaande gedachtelijn heb ik al gedeeltelijk aannemelijk gemaakt dat de westerse democratie in een crisis verkeert. Die stelling kan echter nog krachtiger worden onderbouwd wanneer wij ons realiseren dat niet alleen de Nederlandse democratie in historische zin nooit zonder de christelijke traditie heeft bestaan, maar dat het concept van de moderne democratie zelf niet kan bestaan zonder religieuze kern en zelfs afhankelijk is van de christelijke waarheid.[8] Als dat waar is, impliceert dechristianisering per definitie dat het voortbestaan van de democratie op het spel staat.

Democratie is gebouwd op de overtuiging dat waarheid en goedheid bestaan en in beginsel voor alle mensen gelden en kenbaar zijn. Ook veronderstelt democratie dat alle burgers in een samenleving minstens een gedeeld belang bezitten, waarvoor zij zich samen verantwoordelijk weten. Omdat de vraag wat waar en goed is, niet bij voorbaat evident is en door alle burgers gelijk beantwoord wordt, vormt het publieke gesprek of debat daarover het hart van de moderne democratie. Dat debat vindt plaats vanuit de verwachting dat het ons minstens iets dichter zal brengen bij overeenstemming over die waarheid in dienst van dat gedeelde belang.


Erkenning van Gods soevereiniteit
Daarbij zijn twee basale christelijke overtuigingen onmisbaar. In de eerste plaats betreft dat de erkenning dat alleen God soeverein is. Menselijke regeerders danken hun positie nooit aan het feit dat zij in zichzelf meer zijn dan het volk. Samen met hun onderdanen staan zij onder Gods gezag. Dat leidt tot relativering van overheidsgezag en erkenning van de relatieve rechten van het volk, twee kenmerkende trekken van de moderne democratie. Overheidsgezag zonder draagvlak in een volk kan niet blijvend legitiem zijn. Elke overheid moet bovendien luisteren naar het volk om te bepalen wat in de gegeven omstandigheden passend is. In een democratie mag het volk meespreken over wat waar en goed is in het kader van het gedeelde publieke belang.


Ieders stem telt
Daarmee komt de tweede basale christelijke overtuiging in beeld, namelijk dat binnen het volk in principe ieders stem telt en mag klinken. Ieders stem wordt daarom met respect en verwachting begroet en aangehoord. O’Donovan heeft erop gewezen dat dit model teruggaat op het voorbeeld van de nieuwtestamentische kerk sinds Pinksteren, waarop de Reformatie weer teruggreep.[9] Juist de Reformatie droeg sterk bij aan de opkomst van de moderne parlementaire democratie.[10] In de kerk van Pinksteren was iedereen gelijkwaardig en had de minste slaaf evenveel recht om te profeteren als de hoogst geplaatste.

Het democratische recht om mee te mogen spreken op weg naar het kennen van de waarheid waarnaar het publieke domein geordend kan worden, is principieel het recht van iedere burger. De enige reden dat dit recht gedelegeerd is aan volksvertegenwoordigers ligt in de praktische onwerkbaarheid die het zou betekenen. Het woord waarmee we aanduiden dat we deze bevoegdheid delegeren aan anderen, herinnert nog aan de oorspronkelijke betekenis. Bij verkiezingen ‘stemmen’ wij. Wij delegeren onze ‘stem’, dat is dus ons recht om mee te spreken, aan mensen (of partijen) van wie wij vertrouwen dat wij in hun spreken onze eigen inbreng kunnen herkennen.

Schijn van democratie
Het valt niet moeilijk in te zien dat deze twee principes vandaag wankelen. De laatmoderne samenleving erkent niet langer de soevereine God, waarmee de basis wegvalt voor het samenspel tussen overheid en volk en tevens voor de principiële gelijkwaardigheid van mensen. Het voorbeeld van de kerk van Pinksteren ebt bovendien weg uit het collectieve geheugen. En vooral: er is geen vertrouwen meer dat er uiteindelijk één waarheid bestaat, die alle mensen kunnen kennen en die hen kan verenigen. Als gevolg daarvan worden in de politiek de rollen van regering en parlement met elkaar verward. Stemmen is niet langer een inbreng leveren aan het publieke debat, maar een manier om je voorkeur en wil te laten gelden en zo nodig door te zetten. Het publieke domein wordt niet langer bepaald door (de zoektocht naar) waarheid maar door de bundeling van macht. Het gevolg is dat regeerders en volksvertegenwoordigers zich laten gijzelen in een continue verkiezingsstrijd die zelfs doorgaat als er geen verkiezingen naderen. Zij voelen zich gedwongen permanent te werken aan hun imago en populariteit.

Het publieke debat behelst steeds minder een inhoudelijke, respectvolle en door verwachtingen gestuurde positieve uitwisseling waaruit gezamenlijk inzicht geboren zou moeten worden. Het degenereert tot een rituele en op effect gerichte retorische show om zoveel mogelijk macht te ontplooien en kiezers te mobiliseren. Op scoren beluste media en hitsige opiniepeilers regisseren onbedoeld dit sterfbed van het democratisch bestel. Tegen deze achtergrond staat ook de spreekwoordelijk wazige en verhullende taal waarmee veel politici zich om hete brei heen bewegen. In dit decor past het om zo nodig te draaien en de ene keer iets heel anders te zeggen dan de volgende keer. Waar geen diepere waarheid meer bestaat, zal menselijke taal steeds vaker alleen nog maar in dienst staan van het effect. Daarom verruwt het taalgebruik, niet alleen op straat maar helaas ook in het parlement. Ook wordt het steeds minder belangrijk om inhoudelijk zo naar de ander te luisteren dat diens bijdrage geïntegreerd wordt in die van jezelf om zo mogelijk samen een gedeelde waarheid te naderen. Je door de ander laten overtuigen en je eigen mening bijstellen, geldt zelfs als teken van zwakte waarmee je geen stemmen trekt.

Veel trekken uit deze schets passen naadloos bij de politieke stijl en de politieke opvattingen van populisten als Wilders. Toch moeten we tegelijk beseffen dat vrijwel alle stromingen en politici er trekjes van hebben. Wilders vergroot slechts uit wat kenmerkend wordt voor onze democratie als geheel. Met een variatie op een Bijbeltekst kun je zeggen dat onder een schijn van democratie de kracht ervan wordt verloochend.


Dus dictatuur?
Met het wegebben van de christelijke traditie dreigen dus basale wezenskenmerken van de westerse democratie te verdwijnen. Zonder deze trekken kan onze democratie menselijkerwijs niet blijven bestaan en lijkt het onafwendbaar dat zij vroeg of laat verschuift in de richting van gecamoufleerde of openlijke dictatuur.

Tenminste …, wanneer wij het ‘menselijkerwijs’ benaderen. Het beslissende perspectief op de politieke werkelijkheid is namelijk dat van Gods verborgen regering van de aarde tot aan het moment dat zijn koninkrijk publiek gevestigd wordt. Dat er een samenhangende samenleving is, waarin politiek gezag erkend wordt en zelfs een democratisch bestel mogelijk werd, is uiteindelijk te danken aan de verborgen leiding van God zelf. Ook waar onze redeneringen zouden leiden tot de pessimistische inschatting dat de democratie ondermijnd wordt, blijft God bij machte om ook in een postchristelijk Nederland, waar geen vertrouwen in gedeelde waarheid meer bestaat, toch een gedeeld midden te laten groeien, misschien zelfs onbewust. Zo blijft het denkbaar dat voorwaarden voor het democratisch model, die oorspronkelijk christelijk van karakter waren, ondanks de dechristianisering tot op zekere hoogte blijven bestaan.


A Dieu
Christenen kunnen een dergelijk gedeeld midden niet langs politieke weg afdwingen, maar er wel indringend om bidden en de democratie aan God opdragen. Bovendien kunnen zij bij hun optreden in de politieke arena zichzelf vergaand distantiëren van de stijl die daar oprukt, en zich blijvend voeden met het voorbeeld van de kerk van Pinksteren. Dan kan een pessimistische conclusie tegelijk hoopvol klinken: democratie á Dieu!

 

Samenvatting

- De Nederlandse democratie verkeert door de ontkerstening in een onoplosbare crisis.

- Democratie is namelijk gebaseerd op overtuigingen die samenhangen met christelijke principes. 

- Het is daarmee denkbaar dat de democratie zich langs democratische weg afschaft.

 

Dr. Ad de Bruijne is hoogleraar Ethiek aan de Theologische Universiteit Kampen.



[1] Nederlands Dagblad 28-9-2013

[2] G.G. de Kruijf, Waakzaam en nuchter. Over christelijke ethiek in een democratie, Baarn: Ten Have, 1994, 166v.

[3] Richard J. Mouw, Sander Griffioen, Pluralisms and Horizons. An Essay in Christian Public Philosophy, Grand Rapids: Eerdmans, 1993; Stephen V. Monsma, Christopher J. Soper, The Challenge of Pluralism. Church and State in Five Democracies. 2nd ed. Lanham: Rowman&Littlefield Publishers, 2008.

[4] Aurelius Augustinus, De stad van God (vertaald en ingeleid door Gerard Wijdeveld), Baarn: Ambo, 1983, XIX, 24.

[5] André Rouvoet, Politiek met een hart. Beschouwingen over politiek en moraal, Kampen: Kok, 2000, 25, 30.

[6] A. Kuyper, Parlementaire redevoeringen Deel 1 (Kameradviezen), Deel 2-4 (Ministerieele redevoeringen), Amsterdam: Van Holkema en Warendorf, 1908-1912.

[7] A. Kuyper, Het Calvinisme. Zes Stone-lezingen in october 1898 te Princeton (N-Y) gehouden. Kampen: Kok, 2-1925, 90v;  A. Kuyper, Ons Program, Amsterdam: Hövecker&Wormser, 5-1907, 80.

[8] Marin Terpstra, Democratie als cultus. Over politiek en religie, Amsterdam: Boom, 2011.

[9] Oliver O’Donovan, The Desire of the Nations. Rediscovering the roots of Political Theory, Cambridge: Cambridge University Press, 1996, 268-271;Oliver O’Donovan, The Ways of Judgment. The Bampton Lectures 2003, Grand Rapids: Eerdmans, 2005, 127-163.

[10] Eric Nelson, The Hebrew Republic. Jewish Sources and the Transformation of European Political Thought, Cambridge, Ma., London, Eng.: Harvard University Press, 2010.