De ChristenUnie en Israel; vanuit de traditie naar een nieuwe focus

Door Floris Grijzenhout


De ChristenUnie en Israël: het vormt een zwaar huwelijk. Hoe verdeeld de achterban van de ChristenUnie is op dit thema, blijkt uit het feit dat de opvattingen uiteenlopen van vervangingstheologie (de kerk heeft de plaats van Israël in Gods heilsplan ingenomen) enerzijds, tot een onvoorwaardelijke steun voor Israël en de joden anderzijds (filosemitisme). Hoe komt de partij hieruit?


Een christen ontkomt er niet aan positie in te nemen in het debat over Israël. Door dit te doen plaatst men zich onvermijdelijk in een van beide genoemde kampen, of men dat nu wil of niet. Over deze kwestie schrijven is als lopen in een mijnenveld: het gevaar loert bij iedere stap. Toch zal ik pogen de theologische en politieke gevoeligheden te overstijgen. Ik zal eerst kort de historische context van het conflict schetsen. Dan volgt een analyse van de totstandkoming van het standpunt van de ChristenUnie. Die leidt tot een aanbeveling voor een andere focus binnen het conflict en een spiegeling daarvan aan twee recente gebeurtenissen.

Het is geen religieus geschil

Het is belangrijk te starten met de notie dat het huidige conflict tussen Israëlieten en Palestijnen géén religieus geschil betreft. De (westerse) media framen dit ten onrechte vaak wel zo. Na eeuwen in diaspora te hebben verkeerd, klinkt vanaf het einde van de 19e eeuw onder Joden een toenemende roep om een eigen nationaal tehuis. Sterke antisemitische gevoelens in met name Oost-Europa en een golf van nationalisme in voornamelijk West-Europa veroorzaakten deze roep onder Joden. Leiders en grondleggers binnen dit Joodse nationalisme (zionisme) waren Leo Pinsker en Theodor Herzl. Volgens de historici William Cleveland en Martin Bunton was Pinkser vooral geïnteresseerd in de nationale identiteit en was Herzl meer gericht op het bereiken van een staat dan op een religieus herstel van de Joden.[i] Het was dan ook voornamelijk nationalisme dat het zionisme dreef, niet religie. Het feit dat de ideeën van Herzl, die in eerste instantie zelfs vond dat de Joodse staat niet perse in Palestina geplaatst hoefde te worden, door veel orthodoxe joden werden afgewezen, onderstreept dit nog maar eens.

Het zionisme slaagde erin om in de loop der jaren meer aanhangers te trekken. Tot concrete vervolgstappen kwam het echter niet. Deze situatie veranderde in november 1917 toen de Britse minister van Buitenlandse Zaken Arthur Balfour, gemotiveerd door een mogelijke Britse strategische invloed in het Midden-Oosten en een potentieel meevechten van de zionisten aan Britse zijde in de Eerste Wereldoorlog, zich in een verklaring sympathiek uitsprak over de zionistische aspiraties: Groot-Brittannië zou zich inzetten voor een “Joods tehuis” in Palestina, zonder daarbij de rechten te schenden van de niet-Joodse inwoners.

Kanteling na WOII

Deze twee beloften bleken lastig te combineren, te meer omdat de Britten hetzelfde stuk land ook aan de Arabieren beloofden in de zogeheten Hoessein-McMahon-correspondentie van 1915/16. Na de Eerste Wereldoorlog wees de Volkerenbond Palestina aan als een Brits mandaat, waardoor Groot-Brittannië de verantwoordelijkheid kreeg om een oplossing te vinden voor een probleem dat zij zelf had veroorzaakt. Gouverneur van het mandaatgebied Sir Herbert Samuel was ervan overtuigd dat invulling van de Balfour-declaratie alleen tot stand kon komen wanneer Jood en Arabier samen zouden werken om de levensomstandigheden in Palestina te verbeteren. De Arabieren verzetten zich echter tegen het mandaatbestuur, waardoor zijn plan vanaf het begin geen kans van slagen had.

Door de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog draaide de sympathie van de wereld volledig richting de Joden en schaarden de VS, mede door de macht van de zionistische lobby in de Democratische Partij, zich vierkant achter de oprichting van een Joodse staat. Na een plan van de VN tot verdeling van Palestina riep op 14 mei 1948 David Ben-Gurion, staande onder een portret van Theodor Herzl, de onafhankelijkheid van de staat Israël uit. De geschiedenis die volgt op deze gebeurtenis is bekend.

Impasse

Het nationaal besef van de Palestijnen ontstond later dan het Joodse. Zo was er in 1948 nog geen uitgesproken Palestijns nationalisme. Dat komt pas op in de jaren ’60 met de oprichting van de Palestine Liberation Organisation (PLO). De organisatie streeft naar een grondgebied voor het Palestijnse volk zoals dat werd geschetst in het VN-voorstel van 1947. In 1988 roept ze dan ook de staat Palestina uit, gevolgd door de eerste intifada, een gewapende strijd tegen wat zij ervaart als de Israëlische bezetting. De in 1993 gesloten Oslo-akkoorden beëindigen deze intifada en geven de Palestijnen zelfbestuur op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook. In 2000 barst de tweede intifada los, waarop Israël besluit een veiligheidsmuur te bouwen om zich te verdedigen tegen Palestijnse zelfmoordterroristen.

Vooralsnog sleept het conflict zich voort. Bomaanslagen en raketbeschietingen vanuit de Palestijnse gebieden nopen Israël tot een bezetting van de Palestijnse gebieden en vice versa. Onlangs poogde de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Kerry de vredesbesprekingen weer op gang te trekken. Een dergelijke poging is niet eenvoudig, omdat Palestina verdeeld is: de Palestijnse politieke partij Fatah regeert de Westelijke Jordaanoever terwijl de terroristische organisatie Hamas heerst in de Gazastrook. Paradoxaal genoeg was de vredesluiting van Fatah en Hamas aanleiding voor Israël om de vredesbesprekingen met de Palestijnen stop te zetten: Israël wil niet onderhandelen met Hamas. Het conflict verkeert momenteel dus in een impasse.

 

RPF + GPV = RPF?

De kwestie zorgt niet alleen voor veel verdeeldheid (tijdens de onderhandelingen) tussen Israël en Palestina. Over de hele wereld zijn landen verdeeld rondom dit vraagstuk en ook binnen onze landsgrenzen verdelen partijen zich langs de scheidslijn Israël-Palestina. Ook binnen de ChristenUnie is er over de koers ten opzichte van Israël veel debat (geweest). Dit is niet verwonderlijk: de Israëlkoers van de voorlopers van de CU, de Reformatorisch Politieke Federatie (RPF) en het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV), was nogal verschillend.

De RPF volgde altijd een grotendeels filosemitische koers jegens Israël (vrienden van Israël). Zo zegt zij in haar basisprogramma dat de oprichting van de staat Israël “niet los mag worden gezien van de bijzondere bemoeienis die God ook vandaag nog met dit volk wil hebben”.[ii] De verbondenheid met de EO, die ook kan worden gezien als pro-Israëlisch, is dan ook niet verbazingwekkend. Het GPV schrijft in haar beginselprogramma’s niets over Israël. In de Gereformeerd-vrijgemaakte traditie leefde de vervangingstheologie sterker en nam het volk Israël geen belangrijke plaats in. Zo schreef de generale synode GKV in 1951 dat “zending onder de Joden een zaak van de plaatselijke kerk is”. Hiermee werd de Israëlkwestie als niet belangrijk getypeerd en moest de plaatselijke gemeente maar kijken wat ze er mee deed.


Debat binnen de ChristenUnie

Met de fusie van de RPF en het GPV tot de ChristenUnie dachten de samenstellers van het partijprogramma na over positie van het volk Israël. De theologe Marleen Blootens, die haar studie afrondde met een onderzoek naar het Israëlstandpunt van de ChristenUnie, zegt hierover dat “het RPF-standpunt over Israël het in de onderhandelingen met het GPV duidelijk heeft gewonnen van het GPV-standpunt”.[iii] Deze constatering van Blootens is begrijpelijk gezien het eerste verkiezingsprogramma van de ChristenUnie waarin Jeruzalem “de ongedeelde hoofdstad van Israël” wordt genoemd. Deze frase is tot op heden in alle programma’s terug te vinden.

Het opstellen van het partijprogramma bracht geen einde aan de discussie binnen de CU over Israël. Zo pleitte Blootens voor een strikte scheiding tussen theologie en politiek als het om de kwestie gaat. Geheel terecht wees voormalig RPF-voorman Meindert Leerling haar er in een reactie echter op dat zij in haar eigen argumentatie ook in theologie vervalt. Zo stelt Blootens dat “Christus de Messias van Joden en heidenen is en dat daardoor theologisch de kwestie van het land niet meer van groot belang is”. De illusie om theologie overboord te zetten had jongerenorganisatie PerspectieF niet, toen zij in 2007 kwam met haar ‘Scripta Israël’. De Werkgroep Buitenlandse Zaken schrijft hierin, na bestudering van de bijbel, te staan voor een familieband met Israël, waarbij “je de ander steunt waar mogelijk, maar wijst op fouten waar nodig”. In hetzelfde stuk geeft ze aan het woord “ongedeeld”, als typering van Jeruzalem, te willen schrappen uit het verkiezingsprogramma. De afgelopen jaren verschenen tegelijkertijd ook oproepen aan de ChristenUnie om vierkant achter Israël te staan. Zo vroeg columnist en spreker Dirk van Genderen God om vergeving voor de “kritische houding jegens Uw volk”, waarbij hij ChristenUnie en SGP vraagt op de rem te staan bij het Israëlbeleid van het kabinet.


Een nieuwe focus

Welk standpunt kan dit essay nog toevoegen aan deze discussie? Inmiddels is de hele spanbreedte van vervangingstheologie tot filosemitisme wel gevuld. Op die lijn zal niets nieuws meer te vinden zijn. Veel meer zal, gestoeld op de rijke traditie van christelijke denkers, gepoogd worden deze spanbreedte te overstijgen. Augustinus, Luther en Abraham Kuyper dachten, evenals nu het geval is, allemaal heel anders over het joodse volk en het Heilige Land. Waar ze het allen wel over eens waren, was de uitspraak van Jezus uit de Bergrede: “Zalig zijn de vredestichters”. Zo sprak Augustinus: “ziet u ergens mensen die onenigheid hebben? Zorg dan dat u de vrede tussen hen herstelt”. Hij neemt de oproep van Jezus over en spoort zijn lezers nog maar eens aan hier werk van te maken.

Ook na de Reformatie blijft het appel tot vrede staande. De reformator Calvijn schrijft dat een christen niet alleen de “tweedracht moet verafschuwen, maar zich ook dient te beijveren om twisten, tusschen anderen gerezen, bij te leggen”. Dit zijn slechts twee teksten die oproepen tot het streven naar vrede. Paus Johannes XXIII heeft aan deze boodschap zelfs een hele encycliek gewijd. Het doel van deze encycliek, waarvan de titel Pacem in terris (Vrede op aarde) reeds genoeg zegt, is de consolidering van de vrede in de wereld. Als navolger van Christus mag de ChristenUnie Jezus’ oproep tot vredestichten en de echo hiervan door de eeuwen heen niet lichtelijk naast zich neerleggen. Ook niet wat betreft het Israëlisch-Palestijnse conflict.


Vrede van onderop

Sir Herbert Samuel, gouverneur van mandaatgebied Palestina tijdens het interbellum, pleitte te starten met het zoeken naar vrede van onderop. Joël Voordewind onderschrijft deze visie wanneer hij schrijft dat “de weg van de vrede van de praktijk naar de tekentafel leidt, in plaats van andersom”.[iv] Hierin trekt hij een vergelijking met de verzoening van Duitsland en Frankrijk na de Tweede Wereldoorlog. Hoewel aan deze vergelijking nogal wat haken en ogen zitten, is dit een goede benadering van het Israëlisch-Palestijnse conflict. Door economische samenwerking tussen Israëlieten en Palestijnen te promoten merken Palestijnse werknemers dat Israël niet per definitie “de bezetter” is, maar juist een goede werkgever. Tegelijkertijd blijkt dat Palestijnen geen terroristen en stenengooiers zijn, maar bovenal mensen met een gezin. Een tweede gevolg van zulke economische samenwerking is dat de economieën verweven raken en wederzijds afhankelijk. Hierdoor loont het steeds minder om de wapens weer op te pakken. Verzoening van onderop is echter niet alleen economische samenwerking; het betreft ook sociale samenwerking, zoals gemengde universiteiten en sportverenigingen. Door te focussen op (economische) verzoening van onderop en niet op een van beide partijen of de positie van Israël kan de heikele discussie overstegen worden.


Twee hedendaagse voorbeelden

Hoe heeft de ChristenUnie deze vrede van onderop in praktijk gebracht? Ter afsluiting twee voorbeelden. In maart 2013 kondigde minister van Buitenlandse Zaken Frans Timmermans aan producten uit Israëlische nederzettingen in Palestijns gebied “correct te willen labelen”. Joël Voordewind reageerde furieus en sprak op twitter over “Israël bashing”. De ChristenUnie startte een handtekeningenactie uit protest tegen de “selectieve verontwaardiging over Israël”. Door deze terminologie te gebruiken kwam de nadruk van de ChristenUnie toch weer op de positie van Israël te liggen, terwijl deze in de achterban al zo gevoelig ligt. Vanuit een oogpunt van “vrede stichten”, had men veel beter kunnen aangeven dat de vrede van onderop niet gebaat is bij zo’n labelactie: de Israëlische producten zorgen voor veel werkgelegenheid in de Palestijnse gebieden en daardoor voor interactie tussen Joden en Palestijnen. Wanneer er door een label op die producten een boycot ontstaat, beïnvloedt het deze nog broze samenwerking. Door hier de focus op te leggen, zou de CU hetzelfde standpunt uitdragen, maar niet vervallen in theologische discussies over de positie van Israël en Palestina.

Veel pragmatischer is de recente reis van Joël Voordewind naar Israël. Voor het Reformatorisch Dagblad hield hij een dagboek bij waarin hij verslag deed van de trip. Voordewind bezocht projecten die zijn gericht op verzoening tussen Israëliërs en Palestijnen. Voorbeelden hiervan vormen gemengde scholen (waar Israëlische en Palestijnse kinderen in harmonie naar school gaan) en het Peres Vredescentrum (dat vrede nastreeft door economische omstandigheden te verbeteren). Hij sluit zijn laatste dagboekpagina af met een oproep om vrede en een aanbeveling voor het Nederlandse beleid: “het Nederlandse belastinggeld aan de Palestijnse Autoriteit kan beter geïnvesteerd worden in de vrede van onderop”. Hiermee focust de ChristenUnie wel op die vrede van onderop en niet op een eenzijdige steun van Israël, dan wel de Palestijnse gebieden. Het is raadzaam deze lijn in 2014 voort te zetten.


Slot

De vraag waarom christenen zo verdeeld zijn over Israël is eenvoudig te beantwoorden. Theologie levert tenslotte wel vaker moeilijke dilemma’s op. De verdeeldheid hoeft geen probleem te zijn. Door te focussen op vrede, van onderop, en daarmee in de voetsporen van Jezus en zijn navolgers te treden, kan deze verdeeldheid overstegen worden. Niet door vervangingstheologie. Niet door filosemitisme. Door vrede te bevorderen tussen de volkeren.


[i] William L. Cleveland and Martin Bunton, ‘A history of the Modern Middle East’ (Boulder 2009), 242.

[ii] Basisprogram van de RPF, Artikel 21. 1984.

[iii] Aldwin Geluk, ‘Vrede van Jeruzalem niet gediend met standpunt ChristenUnie, in Nederlands Dagblad, 27 augustus 2008.

[iv] Joël Voordewind, Ben ik nou gek? Idealen in crisistijd (Heerenveen 2012), 213.



Floris Grijzenhout is afgestudeerd historicus en politicoloog. Thans werkt hij bij de gemeente Lingewaal als beleidsmedewerker decentralisaties. Hij schreef dit essay in het kader van het WI-fellowsprogramma 2013.